Gun ieder mens toch een langzame dood

Christus stierf aan het kruis – een moment om te gedenken, vandaag. Rikko Voorberg grijpt het aan om te zeggen: sterven hoort bij het leven, ontken dat niet.

Een paar minuten. Dat was de enige voorbereiding op hun dood die ze kregen. Tot die tijd zaten de passagiers van Germanwings films te kijken, aan een tekst te werken, de krant te lezen, te appen met hun minnaar of te dutten. En na die minuten waren ze dood. Allemaal. Onvoorbereid.

Soms kan het de prettigste manier van sterven lijken. Op slag dood. Uit het leven weggerukt. Geen pijn, geen levensfilm die afspeelt en al helemaal geen eindeloos ziekbed met huilende mensen, afnemende krachten en toenemende hulpeloosheid. Zouden we niet het liefst sterven zonder het te weten? Wie kan het aan om te weten dat hij sterft? Ja, René Gude. Hij kon dat. En we beluisterden en lazen ademloos zijn woorden, zijn enorme hoeveelheid laatste woorden. Eenzaam op een voetstuk. De man die zijn dood onder ogen kon zien.

Maar wij? Nee, laat ons maar plotseling sterven toch? Dan kan men troostend onze familie vertellen wat we niet hebben geleden. Stil maar, huil maar niet. Hij was op slag dood. In zijn slaap overleden. Zoiets.

In de christelijke traditie is er een gebed met de strofe: ‘Behoed ons voor een plotselinge en onvoorbereide dood.’ Een oude tekst van kerkmensen die vreesden met de mond vol tanden voor de rechterstoel van God te komen te staan. Zonder de mogelijkheid gehad te hebben om boete te doen, om vergeving te vragen, om nog vrede te sluiten of vroegere zonden te overdenken. Die rechterstoel vrezen wij niet meer. Maar de angst is niet verdwenen. Nu vreze we het doodgaan zelf. Het sterven. We gaan niet op zoek naar vergeving, maar verdringen de dood. Want hoe moet je naast een sterfbed zitten? Hoe moet je omgaan met iemand die te horen heeft gekregen dat hij doodgaat? Zijn we bang geworden voor onze enige echte zekerheid in het leven: het proces van doodgaan?

Het is vandaag Goede Vrijdag. De dag van Christus’ dood. Een Goede Vrijdag. Want er stierf iemand, maar er overleefde iets. Althans, dat gelooft de christelijke traditie. Dat iemand hier alle duivels in de ogen gekeken had, maar niet uit zelfbehoud of doodsangst de handdoek in de ring heeft gegooid. En het klinkt vanaf dat kruis: „Het is volbracht.” De mens was gestorven, het goede was blijven leven. Een dode overwinnaar, een gestorven koning, die tot het uiterste was gegaan.

René Gude en Jezus Christus. Ze wisten al lang dat ze gingen sterven. René schreef en schreef en praatte. Jezus Christus ook. Schrijven dan niet, maar praten wel. 12 leerlingen pompte hij alle verhalen en ideeën in het hoofd die hij kon bedenken. En hun inzicht groeide hem nog lang niet snel genoeg. „Begrijpen jullie het dan nog niet?” riep hij meermaals gefrustreerd uit. De beste man had haast. Hij vermeed het tempelplein waar opstootjes rond zijn persoon zomaar voor een vroegtijdige dood konden zorgen, niet uit angst maar omdat hij eerst moest delen waar zijn sterven over ging. Zijn dood was voor hem onvermijdelijk. Wat hij had te zeggen was zo explosief, zo tegen de haren in van zijn tijdgenoten, dat kon niet anders dan de dood opleveren. En als het moment dan daar is, dan is er angst – diepe, wanhopige doodsangst – maar ook een aanvaarden: ga maar Judas, ga maar je ding doen. Het is het juiste moment, een goede vrijdag om te sterven. Het is tijd.

Vandaag herdenken we die goede vrijdag. De dag van de voorbereide dood. En die dag biedt ons een kans. Of je nu gelooft of niet. Het biedt de mogelijkheid om je eigen dood eens onder ogen te zien. Om te realiseren dat ons doodvonnis al lang heeft geklonken. Dat we zodra we beseffen dat we leven ook weten dat we doodgaan binnen afzienbare tijd.

Wat als ik onder ogen zou zien dat het goed mogelijk is dat ik dit artikel niet afschrijf omdat een hartaanval me het verder typen onmogelijk maakt? Of dat jij deze krant nooit uitleest omdat de trein waar je in zit over een paar minuten een zware aanrijding heeft. En niemand die het overleeft. We roepen dat die kennis te zwaar is om te dragen, maar is dat wel zo? Is die kennis niet juist essentieel?

René Gude schrijft dat er twee verleidingen zijn. Die van de apathie – het heeft toch geen zin meer – en die van de ontkenning – het zal wel niet gebeuren. Ik vind het christendom verfrissend omdat het je de realiteit van de dood in je gezicht wrijft. Er is genoeg apathie en ontkenning onder de volgelingen van het christendom, maar in het verhaal zelf is de ter dood veroordeelde Christus actief en volledig van de realiteit bewust. En niet pas als het doodsvonnis klinkt, maar eerder. Veel eerder.

Weten dat je sterft zorgt voor een andere rangorde in prioriteiten. Die ruzie met je ouders of met die oude vrienden. Het zou toch zonde zijn als die nooit meer opgelost zou kunnen worden? Dan maar de telefoon pakken, wie weet of je morgen nog leeft. De deur uit met ruzie met je geliefde? En als je buiten de voordeur stapt en geschept wordt door een passerende vrachtwagen? Dus maar weer terug naar boven, een kus en een ‘ik hou van je. Om toch.’ Niet dat alles daarmee goed is, maar de grond onder alles is benoemd. Nu zou je in theorie dood kunnen. En ga je niet dood, dan is het toch fijner naar je werk fietsen met een kus op je lippen. Zou ik de waarheid van mijn mogelijke doodgaan niet kunnen verdragen? De waarheid kun je maar beter willen weten. Onder ogen zien.

De dood hoeft geen duivel te zijn

De angst voor de dood is een duivel. Maar de dood zelf hoeft dat te niet te zijn. Een bijna-dood-ervaring, een ongeluk waarbij je op het nippertje aan de dood ontsnapt. Het opent de ogen, het wekt tot leven. We leven in onze cultuur niet meer met een goddelijke rechterstoel voor ogen waardoor we nog even snel vergeving moeten vragen. Maar dan maar geen vergeving meer vragen is zonde. Hoe mooi is het als de hardheid van de dood ons wat zachter maakt, wat vergevingsgezinder. „Vader, vergeef het hun want ze weten niet wat ze doen”, komt van de gebarsten lippen van de gekruisigde. De zachtheid daarvan. Nu al, want morgen sterven we. Misschien.

Goede Vrijdag kan je twee belangrijke vragen stellen: waar wil jij voor sterven en wat wil jij aan het doen zijn als je sterft. Waar ben jij mee aan het werk? Hoe is de relatie met de mensen om je heen? De mogelijkheid van een plotseling sterven maakt dat we vandaag andere keuzes maken.

De vraag is niet waar je voor leeft en wat je bereikt wilt hebben als je sterft. Het is de vraag wat ik aan het doen wil zijn als ik sterf, hoe ik me tot de mensen om me heen verhoud, als ik sterf. Dat is wat christenen in de ogen van de gekruisigde zagen. Een vraag naar wie jij bent en wat jij wilt doen. In het aangezicht van de dood.

De Middeleeuwen kenden de ars moriendi, de kunst van het sterven. Men streefde ernaar om in harmonie met God en de mensen om hen heen te sterven. Macaber? Wellicht is het een waardevolle kunst om weer eens onder het stof vandaan te halen. Juist in het licht van het recente vliegtuigongeluk. „Wij hebben een grimmig beeld van het menselijk bestaan nodig, zonder valse troost”, zegt de antropoloog Ernest Becker op zijn sterfbed. Alvast door de dood heengaan. Om dan opnieuw het leven te vinden. Dat is het idee van Goede Vrijdag.