Geen traditie, geen curry, alleen wanhoop

Lang was er de roep om meer couleur locale in romans die over India gingen, maar zo’n behoefte is inmiddels achterhaald. Toenemende welvaart in India brengt andere en meer reflectieve verhalen voort.

De makke van India is dat men er narcistisch is, niet uit eigenliefde maar omdat de Indiërs ervan uitgaan dat de wereld voornamelijk uit India bestaat. Zo ongeveer omschreef V.S. Naipaul ooit zijn landgenoten, nadat hij de autobiografie van Gandhi had gelezen. Hoewel de karakterisering niet uitblinkt in nuance en er in de loop der jaren flink wat op is afgedongen, biedt hij wel een handvat voor wie grip wil krijgen op de recente Indiase literatuur. Er is daar namelijk iets opmerkelijks aan de hand, schrijft Ian Jack, hoofdredacteur van het Britse literaire tijdschrift Granta. Hij haalt Naipaul aan in de inleiding van het onlangs verschenen themanummer over India. De literaire veranderingen in het land vinden volgens Jack hun oorsprong in de bloeiende economie. In elk dorp weten ze wie Bill Gates is, en de middenklasse is enorm gegroeid zodat meer mensen een boek kunnen kopen.

Jack koppelt de economische groei aan de opkomst van literaire non-fictie. Met een verrassend dedain voor fictie, stelt hij vast dat inmiddels sommige zaken zo ‘belangrijk zijn, dat je ze niet aan een romanschrijver kan overlaten’. Wat hij bedoelt is dat sommige zaken van human interest zich beter lenen voor non-fictie, of wellicht bedoelt hij dat waneer de welvaart toeneemt er ook meer ruimte is voor reflectie. En die reflectie leidt weer tot verdieping van genres of zelfs nieuwe genres.

Een voorbeeld daarvan is het in Granta opgenomen fascinerende ‘Love Jihad’, een reportage-dialoog over hindoemeisjes die zich laten ronselen door moslimjongens. Grote beloningen zijn er voor jongens die de meisjes naar Pakistan weten mee te nemen opdat ze daar als broedkip zonen op de wereld kunnen zetten die later India kunnen vernietigen.

Er zijn meer verrassende non-fictie verhalen die de nadruk op het genre in dit nummer rechtvaardigen. Want het verschil met het themanummer over India dat Granta in 1997 maakte – om vijftig jaar onafhankelijkheid te vieren – is groot. Jack beroept zich op auteurs als Arundhati Roy en Pankaj Mishra, die sindsdien zijn opgestaan en de non-fictie uit India op de kaart hebben gezet.

Je kunt je afvragen of een bloeiende economie leidt tot meer literaire non-fictie, al viel in Nederland de opkomst van de faction van Geert Mak, Frank Westerman, Tijs Goldschmidt en Henk van Woerden samen met de hoogconjunctuur van Paars. En dat de literaire vernieuwing wat India betreft inderdaad uit de non-fictie hoek moet komen lijkt andermaal bevestigd wanneer je de aankondiging van de nieuwe roman van Salman Rushdie ziet. Dit najaar komt hij met Two Years Eight Months and Twenty-Eight Nights: tel de titel op en je krijgt precies 1001 nacht. De roman zelf zal weinig vernieuwing uitademen. Het wordt een mythisch verhaal over de strijd tussen licht en donker in een wereld van djinns, geliefden en magisch realisme. Het oude India in optima forma in fictie.

Ook in de vorige maand verschenen roman van Aatish Taseer is wat het moderne India betreft een veelzeggende passage te vinden: ‘„Maar Professor Ketu, het lijkt wel alsof u liever had dat modern India helemaal niet bestond.” Zijn grote kennis van het klassieke India had het echte India op afstand gehouden, alsof het meer concept was dan werkelijkheid’, is Taseers omschrijving van het hoofdpersonage in de roman The Way Things Were. Lang leve de traditie slaat de klok in die romans.

Verhalen over India werden lang inderdaad vaak verteld met een mythologische knipoog. Of het ging om familiegeschiedenissen, gekoppeld aan de geschiedenis van India zelf. De blik was naar binnen gericht: de verhalen waren groot, de reflectie was minimaal. The Great Indian Novel: daarvan waren er vele te vinden. En als de blik wel naar buiten was gericht, dan betrof dat meestal immigrantenverhalen over aanpassingsproblemen in de Verenigde Staten of Groot-Brittannië, waarbij de Indiase gemeenschap in het nieuwe land stug vasthield aan de tradities.

Toch is die houding in de hedendaagse Indiase literatuur al jaren eerder uitzondering dan regel. Want met de opkomst van literaire non-fictie kwam er de roep om wat ook wel ‘curry-verhalen’ werden genoemd. Engelstalige, in India spelende romans moesten niet meer op de westerse lezer gericht zijn, maar over lokale armoede en slums gaan, en over de gevolgen van het kastenstelsel. Het ‘echte India’ kortom: dat werd de nieuwe trend, boeken waaraan ‘de curry was af te lezen’.

Natuurlijk wordt ook zo’n oproep al snel een cliché, net als het gemopper van puristen die menen dat het echte India niet terug te vinden is in romans – omdat we in Europa alleen vanuit het Engels vertalen. Een achterhoedegevecht, want intussen werkt de toenemende welvaart ook door in de romans die we hier wél kunnen lezen. Zo is er meer ruimte voor het verhaal van de middenklasse, of de corrupte ambtenaar, herkenbare werelden voor de Indiër. Ook in deze Granta staan niet de curry-verhalen over armoede centraal, maar reportages of verhalen waarin een buitenstaander observeert, al dan niet in de gedaante van een journalist of fotograaf.

Sunny Singh – die misschien niet helemaal toevallig al eerder een non-fictie boek schreef over alleenstaande vrouwen in India – kiest in haar roman Hotel Arcadia ook voor een buitenstaander. Sam is een freelance oorlogsfotograaf, die na elke opdracht besluit om in een luxehotel bij te komen met veel slaap en dito whisky. Wanneer ze in Mumbai in Hotel Arcadia incheckt, komt ze terecht in een terroristisch gijzelingsdrama. Het hotel heeft veel weg van het hotel Taj Mahal Palace in Mumbai, dat een van de doelwitten was bij de terroristische aanslagen in 2008, die aan 174 mensen het leven kostten.

Singh reconstrueert de gebeurtenis getrouw, en vult het drama in. De receptionist probeert vanuit zijn gepantserde schuilplaats gasten te waarschuwen dat ze de deur niet moeten openen. Op de schermen ziet hij waar de terroristen zich bevinden en hij houdt contact met de politie. De gijzeling duurt drie dagen. In die tijd sluipt Sam door het hotel om foto’s van de doden te maken. Wanneer ze echter in een kamer een kind vindt dat nog leeft, komt ze voor een dilemma te staan. Een journalist grijpt niet in, is haar adagium. De receptionist stelt haar echter door de telefoon de simpele vraag: ‘En wat als jij nu de enige bent die een leven kan redden?’

Hotel Arcadia is een spannend verhaal, gestructureerd aan de hand van het aantal uren dat de gijzeling duurt. Het is jammer dat Singh het niet aandurfde om het alleen bij die gebeurtenissen te houden en dat ze uitstapjes maakt naar de jeugd van zowel de fotograaf als de receptionist. De psychologische rechtvaardiging (het heldendom komt voort uit compensatie tegenover ouders die ze altijd teleurstelden) levert niet de gewenste diepgang, maar doet afbreuk aan de vaart. Want wat dit verhaal vooral boeiend maakt is de claustrofobische sfeer die Singh neerzet in haar ‘post-11 september-roman’, die de concurrentie met veel Amerikaanse exponenten van het genre aankan. Wat helpt is dat Hotel Arcadia, anders dan we gewend zijn van romans die zich afspelen in India, juist geen geschiedenis in het verhaal betrekt. Singh gaat voor de actualiteit, toont de willekeur van wie de aanslagen overleeft en wie niet, waardoor ze in feite een breder verhaal vertelt over terrorisme en menselijk onvermogen.

Een andere buitenstander is natuurlijk de migrant, die bovendien altijd een geschikt voertuig voor auteurs is die willen reflecteren op de afstand tussen Oost en West. Wie dat met verve doet, is Akhil Sharma, die vorige week de prestigieuze Folio Prize won met zijn roman Gezinsleven.

Tijdens de uitreiking van de Folio Prize gaf Sharma aan dat hij negen jaar had gewerkt aan zijn autobiografische roman, maar dat hij liever had gehad dat iemand anders de auteur van het boek was geweest. Dat is begrijpelijk voor wie de geschiedenis kent. Wat begint als een gewoon migrantenverhaal vanuit het perspectief van een jongetje, ontwikkelt zich tot een prachtig relaas over een persoonlijke ramp. In Gezinsleven draait het om wat er met een gezin gebeurt wanneer de oudste zoon door een mislukte duik in een zwembad een dwarslaesie oploopt. De veelbelovende jongen, aangenomen bij een goede universiteit, wordt van de ene op de andere dag een plant – met een luier.

Het overkwam de broer van Sharma en dat gegeven maakt de simpele, prachtige beginzin van Gezinsleven alleen al meteen pijnlijk: ‘Mijn vader is een zwaarmoedig mens’. De lezer heeft dan nog geen idee van wat er aan de hand is. Sharma neemt de lezer rustig mee naar Delhi waar de achtjarige Ajay tegen zijn leeftijdgenoten opschept over het vertrek van het gezin naar de Verenigde Staten. Tot zover niets nieuws, pochen over migratie is van alle tijden en van alle windstreken, en zeker ook niet nieuw in Indiase romans.

Eenmaal aangekomen in de Verenigde Staten moeten Ajay en zijn broer alles op alles zetten om de beste van hun klas te zijn en aangenomen te worden op goede universiteiten. De broer van Ayan slaagt erin, waarna beiden een attractie zijn voor de lokale gemeenschap. Iedereen komt graag bij hen langs voor een kopje thee om deze intelligente jongen aan te kunnen gapen. Wanneer Birju, de broer, zijn ongeluk krijgt en het gezin zich volledig wijdt aan zijn verzorging, verandert de aard van de nieuwsgierigheid. ‘We kregen steeds vaker bezoek in het verpleeghuis, vaak van gezinnen met kinderen. Het leek er regelmatig op dat ze hun kinderen op die manier een lesje wilden leren. Een van de vaders foeterde in ons bijzijn zijn vijfjarige dochter uit. „Besef je nu wat we allemaal voor je overhebben? Denk je dat er Amerikanen zijn die bereid zijn om te doen wat Tante en Oom allemaal doen? Een Amerikaan zou zeggen: Leer maar om op eigen benen te staan. Jij leeft jouw leven en ik het mijne. Maar zo doen wij Indiërs dat. We houden te veel van onze kinderen”.’

Maar de loyaliteit van de Indiase gemeenschap kent grenzen. Wanneer de hoop op genezing wegvalt en de vader aan de drank raakt, is het gezin binnen de kortste keren geïsoleerd. Pas wanneer Ajay ook wordt toegelaten tot de universiteit keren de bezoekers terug, maar de banden worden nooit helemaal hersteld.

Wat Gezinsleven zo mooi en pijnlijk maakt, is de uitzichtloosheid die subtiel en met humor beschreven wordt. En wat opvalt: de Indiase gemeenschap wordt hier weggezet als een stelletje opportunisten waarbij er geen enkele sprake is van welwillende samenhangende families zoals we die zo goed kennen uit de traditionele Indiase romanliteratuur. Intussen schetst Sharma ook de opkomst van de nieuwe immigrant: vechtende dikzakken in een winkelcentrum die niet eens meer de schijn van een traditionele gemeenschap kunnen ophouden. Geen traditie, geen curry, alleen de wanhoop blijft over.

‘De Indiase schrijver hoeft niet langer over zijn schouder te kijken naar een denkbeeldig publiek overzee. Lezers staan veel dichterbij – ze zijn Indiaas zodat de auteur niet meer hoeft te schrijven over samosas [een Indiaas gerecht]’, schrijft Jack in Granta. Van die verandering profiteert ook de Europese lezer. Wij hoeven ons niet meer te beperken tot een dieet van curry, grote families en mythologieën verpakt in historische tragedies. Het menu van de Indiase literatuur is uitgebreid met menselijke verhalen die hun kracht ontlenen aan het drama, niet aan de locatie.