Wij Beste Buren kunnen nog veel leren

Rutte en De Wever zijn opgetogen over hun culturele samenwerking. Maar zij laten na hun burgers weerbaar te maken als het over racisme gaat, schrijft Ama Koranteng-Kumi.

Illustratie Daphne Prochowski

Mijn scherpe randjes zijn eraf. Ik stoor me steeds minder. Ik doe soms verontwaardigd, maar dat is gespeeld. Maar er is één uitzondering, iets waar mijn nekharen van overeind gaan staan: racisme. En dan wel de wijze waarop erover wordt gesproken, met name door onze politieke leiders.

Blijkbaar ben ik niet de enige die zich hierover druk maakt. In Nederland en in België houdt dit onderwerp de gemoederen bezig. De hashtag #dailyracism, een initiatief van filosoof en Brusselaar Blehri Lleshi wordt veelvuldig gebruikt voor getuigenissen over racisme. ‘Race is in the air…’ ook dankzij de controversiële uitspraken van minister-president Mark Rutte en Bart de Wever, burgemeester van Antwerpen en NVA-leider, afgelopen maand. Enthousiast als ze vast zijn over de viering van BesteBuren dit jaar, twintig jaar culturele samenwerking tussen Nederland en Vlaanderen, dachten Mark en Bart: kom op… wij zullen ons volk wat stof tot nadenken geven!

Ze noemen het beestje tenminste bij zijn naam, zullen sommigen zeggen. Er wordt over racisme gesproken. C’est ça. Maar dat beestje heeft vele poten. Dus als de bestuurders van ons land impliciet (of was het expliciet?) de impact van racisme ter discussie stellen, dan denk ik: verdomme, laat meer horen dan dit simpele verhaal.

Ingebed in de samenleving

Racisme is ingebed in onze samenleving. Het is hardnekkig en complex. Dat ding verliest een poot en blijft toch kruipen. Het is er op verschillende niveaus; in ons gedrag, in onze denkwijze, ideologisch en institutioneel. De uitdaging van racisme ligt dus niet alleen in het benoemen ervan, maar vooral bij het inzien van zijn gelaagdheid en complexiteit. Oftewel, begrijpen hoe racisme werkt.

Daar gaat het als eerste fout met de uitspraken van Rutte en De Wever. Begrijpen doe je niet door ‘het probleem’ te bagatelliseren, nuanceren of verleggen. In onze samenleving is de werking van racisme anders voor iedere burger. Het betuttelen of ontkennen van de dagelijkse realiteit is een perforatie van de publieksmoraal.

Iedere migrant of persoon met een kleur heeft wel eens een moment ervaren van ‘anders’ zijn. Of het nou op het speelplein was, op straat of op de werkvloer. Je bent ‘thuis’ in Nederland of België, maar je voelt je niet altijd thuis. Die tegenstrijdigheid is een ‘minderheidsgevoel’ dat ondertussen ervaren wordt door een meerderheid.

Maar is racisme niet gewoon een noodzakelijk kwaad in onze multiculturele samenleving? De Frans-Bulgaarse filosoof Tzvetan Todorov geeft daar een eenvoudig antwoord op: „Menselijke wezens zijn tegelijkertijd gelijk en verschillend.” Inderdaad, racisme is inherent aan hoe wij onze wereld betekenis geven, het is doordrongen in onze taal, onze blik, onze interpretatie, onze instituten. Het is overal. Maar ieder individu dat te maken heeft met racisme, is door zijn persoonlijke geschiedenis en sociale positie anders gewapend. Factoren als sociale klasse, inkomen, huidskleur, etniciteit, geslacht, opleiding, religie (…) spelen altijd een rol in onze maatschappelijke positie en de privileges die ons worden toegekend.

Deze samenhang van factoren maakt de ene vatbaar voor racisme en de ander niet. Als De Wever opmerkt: „Racisme is relatief, ik heb nooit een Aziaat horen praten over racisme”, dan doelt hij hierop. Heeft hij het dus begrepen? Mwah... Wat hij eigenlijk doet, is de aard van het beestje aanstippen, om het vervolgens in dezelfde adem te ondermijnen. Wel schoon gedaan.

Geen eenvoudig verhaal

Dat racisme onderhevig is aan context en dus de sociale categorieën waarin wij allemaal netjes zijn geordend, is beslist geen eenvoudig verhaal, geef ik toe. Een Marokkaanse Belg, met een bepaalde achternaam, die in een bepaalde postcode woont, met een bepaald accent wordt hoogstwaarschijnlijk vaker geconfronteerd met racisme en stigma dan een hoogopgeleide zwarte vrouw, of iemand van Chinese afkomst die een familiezaak runt, of een kapitaalkrachtige Japanse expat. Het is vooral een persoonlijk verhaal dat dikwijls een uitstapje maakt naar het publieke domein. Maar aangezien onze huidige politiek wars is van gelaagdheid en reflexiviteit, draait het om het simpel, recht-voor-je-raapverhaal. Toch? Een verhaal dat blijkbaar vooral moet resoneren met de onderbuikgevoelens van Jan en allemaal. Want als Mark Rutte in een interview (Metro, 16 maart) zegt dat migrantenjongeren zich moeten ‘invechten’ op de arbeidsmarkt, dan geeft hij als leider twee signalen.

Enerzijds, dit is jouw individuele probleem, of nog specifieker, dit is jullie probleem als allochtone gemeenschap, en niet ons probleem (zoek de tegenstrijdigheid). Anderzijds bagatelliseert hij een wezenlijk probleem – discriminatie op de arbeidsmarkt – door te impliceren: Zeur niet, wees geen slachtoffer, doe iets.

Excuus voor persoonlijk falen

Beide heren, Rutte en De Wever, kiezen kamp. Racisme is zogenaamd een excuus voor het persoonlijk falen: het is jouw schuld. Als je het nog niet wist, dan weet je het nu. Een krachtige, no-nonsense boodschap, die vast ook zijn waarheden bevat.

Maar wat ik in dit verhaal mis, is een visie afgestemd op de huidige tijdgeest. Retoriek die geen echo is van de stijgende xenofobische tendens in Europa. Eentje die geen darwinistische houding aanneemt tegenover zijn burgers en die mechanismen van insluiting en uitsluiting niet klein en onbelangrijk maakt. Wat ik mis, is een boodschap die op een positieve wijze burgers weerbaar maakt in hun dagelijkse strijd, in plaats van die strijd weg te honen. In een samenleving waarin wij met al onze verschillen samenkomen, heb je altijd rook. Blussen doe je niet door er meer houtskool op te gooien. Het wordt anders een verloren strijd, waar uiteindelijk iedereen zijn vingers aan brandt.