Terug naar het Bardo Museum

Het Bardo Museum in Tunis, waar onlangs 23 mensen werden vermoord, kent Toenke Berkelbach uit zijn jeugd. Onlangs was hij er nog, samen met een klasgenootje van toen.

Groot, onder: Romeins mozaïek uit Carthago, in Museum Bardo. Links: Museum Bardo met midden schade door kogelinslag na aanslag. Foto’s Piero Oliosi/Polaris Foto AP/Hassene Dridi

Halverwege de jaren zestig woonde ik als kind in Tunesië. Ik werd twee weken geleden gebeld door Tarak, een Tunesische vriend: „Er is net een aanslag op het Musée Bardo geweest. Het is door terroristen aangevallen en...” De verbinding viel weg. Ik bleef naar de schaal mozaïeksteentjes op mijn tafel staren. Het zijn steentjes die ik als zevenjarig jongetje vond in de ruïnes van Carthago niet ver van ons huis. Ik stel me voor dat het Bardo er zo uit moet zien nu, een ruïne met al zijn magnifieke mozaïeken verbrijzeld tot wat losse steentjes. Die materiële schade blijkt er niet te zijn als Tarak me later terugbelt. Maar de schade is des te groter met 23 doden – bij een aanslag op wat het allereerste museum in mijn leven was.

Ik ben vaak teruggeweest in Tunesië en was altijd verbaasd het paradijs uit mijn kindertijd onveranderd terug te vinden. Mijn vader werkte er voor de FAO, de Voedsel- en Landbouworganisatie van de VN. We woonden in La Marsa, een chic dorp vlakbij Tunis, een klein paradijs aan zee waar de bei van Tunis in de 19de eeuw al zijn paleis had. President Bourghiba woonde er, de oude Arabische aristocratie had er haar vervallen paleizen. La Marsa had een kosmopolitische sfeer. Binnen een soort laconieke verdraagzaamheid leefde de Arabische wereld er samen met de Europese, hoewel de hervormingspolitiek van Bourghiba niet echt Europa-vriendelijk was. Net als toen zie je er nu nog steeds de oude Tunesische heer die in zijn traditionele djellaba bij de kiosk Le Monde Diplomatique koopt.

Stokbrood

Een paar maanden geleden was ik voor het laatst terug in Tunesië. Maar alles voelde anders. Tanks stonden op de hoeken van de straten en bijna alle vrouwen waren gesluierd. Ik merkte dat ik in de gaten werd gehouden. Telkens dook in mijn buurt dezelfde man met zonnebril en krant op – als in een spionagefilm uit de jaren zestig. Alleen La Marsa leek nog hetzelfde paradijs, met haar paleizen en art-decovilla’s. Langs de bakker lopend rook ik de geur van stokbrood die me deed terugreizen in de tijd. Wat voor Proust de madeleine was, is voor mij de geur van stokbrood in La Marsa.

Maar ik hoef niet als Proust ‘op zoek naar de verloren tijd’. Die tijd is hervonden als ik verderop een antiekwinkeltje binnenloop en aan de praat raak met eigenaar Tarak. We blijken op dezelfde school, het Lycée Cailloux, te hebben gezeten. Uit een la haalt hij zijn klassenfoto uit 1965 en te midden van 25 kinderen kijk ik mezelf aan als zevenjarige. Met naast mij de kleine Tarak.

Ik wijs en Tarak grijpt mijn handen. Hij drukt me tegen zich aan. Twee knuffelende heren van in de vijftig. Tarak en ik tuimelen samen terug in de tijd en de herinneringen borrelen op. „Wat is er van de anderen geworden?”, vraag ik. Tarak wijst ze op de foto aan: „Hij was een hoge generaal in het leger, hij was minister van Economische Zaken en zij minister van Vrouwenzaken. En ik zit hier met mijn winkeltje.”

Terwijl ik doorga over onze klasgenoten, het leger, de economie en de positie van de vrouw in Tunesië kijkt Tarak wat onrustig naar de man met de zonnebril die buiten weer langs loopt. „Laten we naar Tunis gaan morgen”, zegt hij dan. „Naar het Musée Bardo. Weet je nog, die allereerste keer dat we in een museum waren daar? Met die steentjes die we daarna gingen jatten in Carthago? Daar kunnen we rustig praten.”

Het Musée National du Bardo is met het Egyptisch Museum in Kairo het belangrijkste museum van de mediterrane wereld. Het biedt een variëteit aan archeologische kunstschatten en maakt duizenden jaren Tunesische geschiedenis tastbaar. Sinds 1888 is het gevestigd in het voormalige paleis van de bei van Tunis, die na zijn faillissement uitweek naar zijn paleis in La Marsa.

Met de klas

Toen we er in 1965 met de klas heen gingen was het qua omvang de helft van nu, maar de belangrijke stukken zijn hetzelfde. Ik kan me de opstelling niet herinneren, wel de emotie dat we naar een museum gingen. We gingen zo bijna allemaal voor het eerst de drempel over naar de kunst. Want wat was kunst? We hadden allemaal thuis wel iets aan de muur hangen en boeken met plaatjes maar met het Bardo kregen we een golf over ons heen van beelden en mozaïeken.

We gingen kwetterend en luidruchtig naar binnen, maar eenmaal binnen vielen we stil. De vloeren en mozaïeken lazen we als een stripverhaal van het verleden van ons land met de Phoeniciërs, de Romeinen en de Vandalen. De inhoud van de beroemde mozaïeken zei ons nog niets. ‘Odysseus’ was gewoon iemand die zo stom was zich aan de mast van zijn boot te laten vastbinden, ‘Virgilius de Aeneïs schrijvende’ een ouwe opa met een spoorboekje in zijn hand en ‘Diana, godin van de jacht’ een lekker wijf in minirok.

Tarak en ik lopen grinnikend de Carthagozaal van het museum binnen. Na ons bezoek aan het museum destijds organiseerden we met drie vriendjes een expeditie naar de verlaten ruïnes van Carthago vlakbij La Marsa. Daar waren steentjes te vinden van door de tand des tijds vermorzelde mozaïeken. Met die steentjes en wat gips zouden we onze eigen mozaïeken wel maken. Tarak heeft zijn steentjes nog, ik ook, maar tot mozaïeken maken is het nooit gekomen.

„Inderdaad”, zegt Tarak. „Alle mozaïeken hier vertellen je de geschiedenis van Tunesië, maar onze generatie heeft nooit enige mozaïek gemaakt en nooit geschiedenis geschreven.” „En onze klasgenoten dan. Het leger, de rol van de vrouw en de economie?”, vraag ik. „Volgens mij ben ik met mijn winkeltje de enige van ons die nog werk heeft”, zegt Tarak. „De rol van alle anderen is uitgespeeld. Het leger is onderuitgegaan na het startschot van de Arabische Lente met die man die zichzelf hier in Tunesië in 2010 in brand stak. Ons land was koploper van het feminisme binnen de Arabische wereld maar ook dat is afgelopen. De economie is zo ingewikkeld en corrupt dat toen onze klasgenoot minister was ik niet in zijn schoenen had willen staan. Wat in 2010 een nieuw begin had moeten zijn, niet alleen voor Tunesië, maar ook voor Libië en Egypte, is een grote puinhoop geworden.”

In de verlaten Carthagozaal pakte Tarak toen, een paar maanden geleden, mijn arm: „En ik weet niet waar dit allemaal naar toe moet gaan.”