Rectumkanker kan er ook via klein gat uit

Endeldarm- of rectumkanker haalt de chirurg al vaak met een kijkoperatie weg. Nu is ook bewezen dat dat goed kan.

Mensen met endeldarmkanker raken hun kanker net zo goed kwijt met een ‘kijkoperatie’ als met een grote open-buik-operatie. Bekend was al dat patiënten sneller herstellen na zo’n operatie via kleine sneetjes in de buikwand. De belangrijke vraag was of de kanker dan ook goed is weggesneden. Die is nu beantwoord: drie jaar na de operatie was 75 procent van de kijkoperatie-patiënten kankervrij, tegen 71 procent van de patiënten met een open-buik-operatie. Het verschil kan statistisch gezien toeval zijn.

De cijfers komen uit onderzoek onder 1.044 patiënten met endeldarmkanker (rectumkanker) in 30 ziekenhuizen in 8 landen. Jaap Bonjer, hoogleraar chirurgie aan het VUmc in Amsterdam, en zijn collega’s publiceren de resultaten vandaag in het New England Journal of Medicine.

Bij zo’n kijkoperatie – officieel een laparoscopische endeldarmkankeroperatie – maken de chirurgen vijf sneetjes van een centimeter in de buikwand. Daardoorheen gaan buisjes. Door een ervan wordt CO2-gas geblazen om de buik wat op te pompen, zodat de chirurg zicht en werkruimte heeft. Door een andere buis gaat een cameraatje. Verder kunnen er op afstand bedienbare schaartjes, tangetjes en weefselnietapparaatjes naar binnen. De chirurgen zien op beeldschermen wat ze doen. De traditionele ingreep is een decimeterslange snee in de buikwand waardoor een groot operatievlak open ligt.

Het nu gepubliceerde gunstige onderzoeksresultaat wordt bekend terwijl inmiddels al meer dan de helft van de Nederlandse endeldarmkankerpatiënten ermee van zijn tumor wordt bevrijd. „Ja”, bevestigt Bonjer, „het onderzoek loopt hier gelijk op met de praktijk, want de korte-termijnvoordelen waren al heel duidelijk.”

De endeldarm is de laatste 15 centimeter van de dikke darm. Voor dikkedarmkanker had dezelfde onderzoeksgroep al in 2009 bewezen dat de laparoscopische ingreep de kanker net zo goed geneest als de operatie met een grote operatiewond.

De laparoscopische chirurgie had niet altijd de wind mee. In de jaren 90 voerden steeds meer chirurgen deze kijkoperaties in de buik uit, zonder gedegen onderzoek. Halverwege de jaren 90 ontstonden vermoedens dat het inblazen van CO2 uitzaaiingen zou veroorzaken. Ook Bonjer schreef mee aan een verontruste brief in The Lancet. Bonjer: „Er is toen een soort moratorium ingesteld. Maar bij laboratoriumonderzoek vonden we minder tumorgroei bij laparoscopische omstandigheden.” Nu is er een omgekeerde hypothese: door de geringere weefselschade bij een laparoscopische operatie zou het afweersysteem van de patiënt beter blijven werken, zodat eventueel achtergebleven kankercellen opgeruimd kunnen worden.

Soms ongeschikt

Bonjer: „Dit onderzoek heeft tien jaar geduurd. Je wilt die resultaten eigenlijk eerder. Daarvoor moet de samenwerking tussen onderzoekscentra verbeteren. En we hebben meer ziekenhuizen nodig waar deze operaties worden geconcentreerd.”

De laparoscopische operatie is ongeschikt voor patiënten waarbij de tumor al vanuit de darm in omliggend weefsel groeit. Bonjer: „Ook mensen die al meerdere buikoperaties hebben gehad opereren we liever niet scopisch. Dan is er kans op ingewikkelde verklevingen. Ook bij ernstige hartpatiënten is vaak een open operatie nodig: de met gas opgeblazen buik bemoeilijkt de bloedcirculatie.” Ruim de helft van de patiënten wordt nu scopisch geopereerd, zegt Bonjer. „En dat zal nog wel toenemen.”