Column

Paaseitjes

In de winkel voor koffie- en theespecialiteiten wachtte ik geduldig op mijn beurt. Ik kuierde wat langs de schappen en tussen de uitstaltafels, gevuld met allerlei fraaie attributen die het verfijnde genot van de koffie en thee nog moesten vergroten.

Deze industrie had een hoge vlucht genomen, dat was zonneklaar. Het was in Nederland ooit begonnen met het lekkere bakkie koffie van Rita Corita („Jongens wie lust er een kop? Nelis jij?”) en het eindigde voorlopig in winkels met de chique allure van een diamantair. Ik las de namen van allerlei exquise koffiesoorten: Pampadampara, Gayo Blue Mountain, Limu Kebena, Chiapas Altura, Maragogype Alpina.

Eigenlijk zou ik die laatste soort met een zo achteloos mogelijk uitgesproken „Doe mij maar de Maragogype Alpina” moeten kopen. Maar je zou zien dat ik in de uitspraak net weer een paar verkeerde accenten legde, zodat de verkoper genoodzaakt was me even achteloos te corrigeren.

Deze verkoper had voorlopig geen tijd voor mij. Hij was in een geanimeerd gesprek gewikkeld met een vrouwelijke klant, een verzorgd uitziende vrouw van in de veertig. Ze leken elkaar goed te kennen. Hun gesprek ging niet over de Limu Kebena of de Pampadampara, maar over allerlei wederzijdse vrienden en kennissen. Zij werden met tamelijk goedmoedige spot, soms voorzien van een roddelig randje, besproken.

De verkoper, een gezette man van middelbare leeftijd, leek zijn klant érg aardig te vinden. Flirten was een te groot woord, maar hij stond zich wel lichtelijk aan te stellen met zijn lachsnikjes en kokette stembuigingen. Zou het van bepaalde scherpe koffiesoorten uit de binnenlanden van Guatemala of El Salvador komen?

Ik wilde net voorzichtig tussenbeide komen, toen een bejaarde vrouw de winkel binnenstapte. Zij voegde zich bij het olijke duo aan de toonbank en zei: „Ik wilde even wat vragen.”

Het gesprek viel stil, het gezicht van de verkoper verstrakte en de vrouwelijke klant nam met een korte groet afscheid. De nieuwe klant wees naar de etalage: „Die fles daar, is dat advocaat?”

„Nee”, zei de verkoper lusteloos, „da’s geen advocaat.” Hij zag er opeens uit als iemand die zich bestolen voelde.

„Wat is het dan wél?”

„Da’s een vrucht. Advocaat is op eierbasis.” Hij voegde het met grote tegenzin toe.

„Dan maar niet”, zei de vrouw. Ze wees naar een plateau met bonbons. „Geeft u daar maar wat van.”

De verkoper schudde beslist het hoofd. „Dat kan niet. Er zitten te veel ouwe tussen, ik moet ze nog vervangen. Komt u maar over een uurtje terug.”

De oude vrouw liet zich niet uit het veld slaan. „Verkoopt u misschien losse paaseitjes?” Ze vroeg het vriendelijk, maar ze kon niet weten dat de verkoper nog steeds in andere, veelbelovender sferen vertoefde. Hoeveel ouder zou ze zijn dan haar voorgangster? Minstens dertig jaar.

De verkoper keek van haar weg terwijl hij zei: „Ik verkoop alleen paaseitjes in doosjes. Dat is veel hygiënischer.”

„Nou, jammer”, zei de vrouw, een beetje verbaasd. Ze groette en liep de winkel uit.

De verkoper en ik bleven in een doodse stilte achter. Ik wilde iets vragen over bepaalde koekjes in een bepaald zakje, maar ik besefte dat deze verkoper ontzien moest worden en maakte me zo geruisloos mogelijk uit de voeten.