Gormley’s gietijzerreuzen bevolken Parijse hallen

Gormley's familie Big van gietijzer, van bijna 3 meter hoog. Foto courtesy Galerie Thaddaeus ropac, paris pantin

Galerie Ropac in Pantin, een noordelijk voorstadje van Parijs, was vroeger een metaalgieterij. Antony Gormley, de Britse mensenbeeldenmaker, heeft voor zijn expositie Second Body de vier hoge hallen van de galerie op een soms beklemmende manier in bezit genomen. In iedere ruimte zijn de beelden radicaal anders, en toch sterk verwant.

De vestiging van galerie Ropac in Pantin is een supergalerie met meer expositieruimte dan menig museum. In de vier hallen van elk 10 × 25 meter waren sinds de opening eind 2012 al grote groepsexposities en belangrijke solo’s van onder anderen Anselm Kiefer, Georg Baselitz, Alex Katz en Gilbert & George.

Antony Gormley (64) maakt zijn hele carrière al beelden waaraan het menselijk lichaam ten grondslag ligt. Dat kunnen reuzen zijn, zoals zijn hurkende beeld bij Lelystad en Angel of the North met 54 meter brede vleugels op een heuvel bij het Noord-Engelse Gateshead, of kleinere mensvormen, zoals op het dak van de Rotterdamse kunsthal. Gormleys sculpturen gaan altijd een strijd aan met hun omgeving.

In de rechtse hal van Ropac in Pantin staan vijftien mensachtige vormen opgebouwd uit blokken gietijzer. Ze hebben namen als Big Collect, Big Fall en Big Hunch. Ze verschillen sterk van karakter: de één is stoer, de ander aarzelend, een derde denkt na en Big Hunch lijkt met zijn armen over elkaar te wachten op wat er gaat gebeuren.

De beelden in de hal ernaast zijn veel volumineuzer. Er staan zestig opgeteld, in vier lange rijen. Ze bestaan uit blokken staal, en zijn massiever en krachtiger dan de familie Big. Uit een enkeling steken zijwaarts blokken van gelaste platen staal die de doorgang dreigen te versperren.

In de derde zaal staat het eenzame Hole, een 3,7 meter hoog object. Het grote verschil met de andere beelden op de expositie is dat blokken van Hole open zijn, waardoor het niet strijdt met de ruimte, maar daar harmonieus een plaats probeert te vinden.

Matrix II in de laatste zaal doet dat ook, maar juist op een agressieve manier. Het is een vijftien meter lange constructie van talloze lagen roestig vlechtijzer, het materiaal waarmee beton wordt gewapend. Het vult bijna de hele ruimte en lijkt nog verder te willen expanderen. Het is een machtige vorm met een dreigende uitstraling die nog benadrukt wordt door het pop-artachtige lijnenspel in het roestige vlechtijzer. Je kunt ernaar kijken en erdoorheen kijken, maar de ruimte betreden is onmogelijk.

Visueel en emotioneel is de wandeling door Gormleys expositie een spannende ervaring. Rationeel roept het vragen op over machtsverhoudingen en relaties tussen mens en architectuur.

Gormley laat in deze megagalerie zijn spierballen zien. Hij doet dat met zo veel aplomb dat je er een beetje eng van wordt. Tot je zijn 17 aquarellen bij de entree goed bekijkt: grijze vlakken waarmee hij speels vormen creëert. Hun lichtheid relativeert het driedimensionale geweld. Het bereidt je ook voor op het vertederende dertig centimeter hoge minibeeldje Stop (Lead), waar de expositie mee begint, maar dat je eerst over het hoofd ziet uit nieuwsgierigheid naar de grote beelden.

Stop (Lead) is een stapeltje loden blokjes dat nog moet uitgroeien tot een van de monsterachtige broers en zussen op de expositie. Of is het een verschrompeld overblijfsel van één van hen?