Dierlijke passie tussen natte huiden

Marisol Montalvo (Prothoe), Natascha Petrinsky (Penthesilea) en Eve-Maud Hubeaux (hoge priesteres). Foto Forster / De Munt

Filmisch klinkt het: in de proloog van de nieuwe opera Penthesilea roept een ijle harpmelodie een intieme kinderkamersfeer op. De werking is verontrustend, want je weet dat er weinig intiems is aan de tragedie van de amazonekoningin Penthesilea en haar obsessionele, sadomasochistische haat-liefderelatie met Achilles. Onheilspellend zuchtende koperblazers dringen zich op, rauw declamatorisch gezang van Penthesilea’s vertrouwelinge Prothoe gaat over in de ontremde zigeunertrillers van – ongewoon exotisch effect – een cimbaal.

Voor zijn zevende opera beet Pascal Dusapin, de succesvolle Franse componist van wie in Nederland mondjesmaat werk te beluisteren is, zich vast in het gruwelijke verhaal van Penthesilea, op een nieuw libretto naar Heinrich von Kleists (1808) door Goethe onspeelbaar geachte stuk.

Voor bewerking tot opera werd de tekst ingedikt. Na veel strijd, passie en verwarring doodt Penthesilea Achilles en daarna zichzelf – een omkering dus van de oorspronkelijke mythe.

Als voorstelling is Penthesilea een complexe stapeling van sterke bestanddelen. De decors en/of installaties van beeldend kunstenaar Berlinde De Bruyckere (van wie op dit moment een tentoonstelling te zien is in het Gemeentemuseum Den Haag) zijn sterk en indringend. Het rek met huiden – symbool voor oorlog, wreedheid, het dierlijke in de mens misschien ook –ademt een Francis Baconiaanse gruwelsensualiteit, waarvan het effect wordt uitvergroot door oorgeselend gedreun, strijkersglissandi en gillend koper. Maar niet overal gaan de componenten zo’n synergetisch verband aan. Videobeelden van leerlooien voegen nóg een laag toe en soms wordt het geheel door teveel aan krachten uit balans getrokken.

In de allround uitstekende cast is een glansrol weggelegd voor Natascha Petrinsky (Penthesilea), uiterlijk een mythische metalzangeres in legging met knielang zwart leren wappergilet. Dusapin spaarde haar niet met een partij die in zowel ligging als hysterie het uiterste vergt, maar door Petrinsky met volle overtuiging gebracht. Even compromisloos is Achille door Georg Nigl, voor wie Dusapin al meer rollen als maatwerk componeerde.

Ondanks seks en geweld is Penthesilea meer een opera van onderhuidse spanning en overdenkingen dan van directe confrontaties, zeker in de eerste helft. De regie van Pierre Audi is – een vaak ‘dierlijke’ bewegingstaal ten spijt – navenant ingetogen: kruipende amazones, koorprocessies, gestileerde strijd. Dat vormt een mooi contrapunt bij De Bruyckeres rauwe installaties en de monolithische, zware, zo bijzonder fraai georkestreerde partituur, die door het uitstekende orkest van de Munt onder Franck Ollu honderd minuten lang optimaal wordt belicht.

Schaars zijn de momenten van licht en lyriek, maar die vallen wel steeds net daar waar zwaar van imposant dreigt af te glijden naar verstikkend.