De tulp is een migrant

In Diepenheim zijn deze week de botanische tulpen weer gaan bloeien. Het zijn wilde tulpensoorten, behandeld en gekoesterd als welkome migranten, schrijft Tijs Goldschmidt.

Naaldtulpen Gestileerde afbeeldingen, afkomstig uit 18e-eeuws Osmaans bloemenboek. uit verzameling Birthe Leemeijer

In de tuin van Kunstvereniging Diepenheim staan dit voorjaar weer tulpen in bloei. Geen gecultiveerde varianten, maar voornamelijk in het wild voorkomende exemplaren van Tulipa turkestana en Tulipa kaufmanniana Ice Stick. Nederlandse namen hebben deze planten niet. Ze hebben korte stelen en prachtige bloemen die nauwelijks lijken op de commerciële bakbeesten uit de bollenstreek. Botanische tulpen noemen tulpenkenners ze. Het was spannend of dit voorjaar de botanische tulpen, nu voor het eerst op eigen kracht, zouden opkomen. Begin deze week was het zover.

In november 2013 plantten tientallen vrijwilligers onder leiding van beeldend kunstenaar Birthe Leemeijer in de tuin van de Kunstvereniging, maar ook op andere idyllische locaties in de omgeving van Diepenheim, bollen van wilde tulpensoorten. Leemeijer en haar vrijwilligers pakten het groots aan en plantten in korte tijd in totaal 70.000 exemplaren. Duizenden bollen op de oude begraafplaats, duizenden bollen in de tuin van kasteel Warmeloo, duizenden bollen op landgoed Westerflier, en duizenden bollen in de grote moestuin van de buitenplaats Nijenhuis.

De bollen werden gericht in het gras geworpen. Bollen van de ene soort bewust wat hoger dan de andere, in plaats van ze te planten in regelmatige patronen. Daarbij was de zwaartekracht zonder twijfel ‘de vrijwilliger’ die de meeste invloed had op het uiteindelijke resultaat. Een bevrijdende manier van tuinieren, waarbij je maar moest afwachten wat de zwaartekracht ervan zou maken. Er ontstonden citroengeel-witte, felgele, en rode- of roze kleurvlekken in het landschap die een ‘natuurlijke’ indruk maakten, zoals Leemeijer ze gezien had op foto’s van de tulpen in het wild.

Action painting

Je zou deze werkwijze kunnen omschrijven als een langzame vorm van action painting. De werper/kleurvlekkenmaker ziet pas resultaat van haar of zijn acties als de tulpen maanden later synchroon gaan bloeien. De botanische tulpensoorten, zoals T. kaufmanniana, T. clusiana en T. tarda, werden speciaal uitgekozen op grond van hun geschiktheid om te verwilderen. Het zijn tulpenspecies die oorspronkelijk van ver komen. Uit Kazachstan, Turkmenistan, Oezbekistan, of Afghanistan. Ze groeien in woestijnachtige gebieden, vaak op hoogvlakten, waar de zomers droog en heet zijn en de winters streng. Of ze komen, zoals T. kaufmanniana, voor in het Centraal-Aziatische Tian-Shan-gebergte.

Tulpenjagers trekken in het voorjaar de hooggebergten van Centraal-Azië in op zoek naar nieuwe soorten. Lokale gidsen brengen hen op plaatsen waar bergbewoners in primitieve omstandigheden maandenlang ondergronds leven, bedolven onder een dikke laag sneeuw. Als naakte molratten graven ze tunnels om van het ene huis naar het andere te komen, en springen zuinig om met hun voedselvoorraden die in de loop van ruim vijf barkoude maanden slinken. Het vergaat hen ongeveer net zoals de tulpen die langzaam interen op het zetmeel en de voedingsstoffen in de bol. Zowel tulpen als mensen wachten hier op het smelten van de sneeuw, want dan breekt er een nieuwe levensfase aan, een bovengronds bestaan.

Niet alle gebieden zijn voor de tulpenjagers toegankelijk. Sommige bergketens zijn lastig te bereiken, of te gevaarlijk door gewapende conflicten. Per ongeluk legde de journalist Eddy van Wessel eens een aantal clusianatulpen vast.

Op de foto staat een druivenboer met gebruind gezicht en grijswitte baard, die met een schaar takken van een druivenstruik snoeit. Hij draagt een djellaba, een vest en een tulband. Ruim twintig clusiana’s of Lady tulpen met rozewitte bloembladeren staan rondom hem in bloei, al is de grond nog zo hard en droog. Onder de linkervoet van de boer worden er enkele verpletterd.

In het Ottomaanse Rijk stonden tulpen in hoog aanzien, maakte Anna Pavord duidelijk in haar tulpenmonografie The Tulip. Op laat zestiende-eeuwse miniaturen is nog goed te zien hoe geacheveerd het kweken en de omgang met tulpen in zijn werk ging. Van sultan Ahmed de Derde is bekend dat hij zich meer bezighield met zijn tulpen dan met regeren. Hij was er helemaal door geobsedeerd, een tulpenfetisjist. Door kunstmatige selectie van tulpen die enigszins leken op ‘de ideale Turkse tulp’, hadden tulpenkwekers, vermoedelijk uit de zeer gevarieerde wilde tulp Tulipa schrenckii, een vreemde variant gekweekt: T.acuminata, een tulp met langwerpige bloembladeren als spinnenpoten. Lichtgeel gekleurd met rode randen als slanke vlammen. Deze ‘ideale Turkse tulp’ zag er heel anders uit dan ‘de ideale tulp’ met komvormige bloem van de latere Hollandse tulpenkwekers. Maar ook die stammen, volgens Pavord en andere tulpenkenners, vermoedelijk af van Tulipa schrenckii.

Duivenfokkers

Eeuwen voordat Darwin, halverwege de negentiende eeuw, theoretisch zou formuleren hoe door kunstmatige selectie gedomesticeerde plant- en diersoorten konden worden gekweekt of gefokt in talloze gewenste richtingen, beheersten de Turkse tulpenkwekers deze vaardigheden al. Die hadden ze op empirische wijze in hun vingers gekregen. En niet alleen de tulpenkwekers, maar ook de duivenfokkers die schitterende sierduiven te voorschijn goochelden.

Darwin maakte aannemelijk dat alle duivenrassen afstammen van Columba livia, de rotsduif. Dat verklaart ook dat stadsduiven zo in hun element zijn. Zij ervaren een stad vol hoge gebouwen met beschutte richels en dakgoten, met geplaveide pleinen en straten, vermoedelijk als een reusachtig rotsgebied. Er lopen alleen overdreven veel mensen rond. Darwin werd er zich door deze inzichten steeds sterker van bewust dat een enkele wilde plant- of diersoort een grote hoeveelheid erfelijke variatie in zich heeft. Die kon het uitgangsmateriaal vormen voor fokkers of kwekers, al doorzag hij nog niet hoe dat genetisch precies werkte. Te zorgen dat de soorten die in gevangenschap in kleine groepen worden gehouden voldoende genetische variatie blijven vertonen, is nog altijd een veelvoorkomend probleem van dierentuinen. De bezoeker aan Artis denkt dat hij ‘de’ zebra ziet wanneer hij bij het perk van de zebra’s is aangekomen, maar hij ziet slechts enkele exemplaren die maar een fractie van de genetische variatie van de wilde species herbergen. Ze vormen er een echo van en eigenlijk zou dat op de begeleidende bordjes moeten staan: ‘Zwakke echo van de wilde zebra’.

In Turkse haremtuinen waar sierduiven in allerlei zeldzame varianten in kooien te bezichtigen waren, stond ook een overvloed aan tulpensoorten in verschillende kleuren. Tijdens feesten, die soms maandenlang duurden om de besnijdenis van een toekomstige sultan te vieren, waren haremvrouwen gehouden kleding te dragen waarvan de kleuren goed pasten bij de tulpen. Die mocht niet vloeken, ook ’s avonds niet in het kaarslicht dat werd verspreid door rondschuifelende schildpadden met een brandende kaars bovenop het rugschild. De gekweekte Tulipa acuminata bestaat volgens Pavord niet meer in Turkije. In Nederland bevindt hij zich nog altijd in de hortus bulborum tuinen.

Oosterse tulpengekte, niet alleen in Turkije maar ook in Iran, ging aan de Hollandse vooraf. In Holland duurde de rage van 1634 tot 1637. Kooplieden die via de VOC of anderszins schatrijk waren geworden, stelden, net als de Turkse sultans en Iraanse sjahs, prijs op zeldzame tulpen voor hun tuin. Het werden statussymbolen waarvoor astronomische bedragen werden uitgegeven, schreef de Haarlemse kweker Ernst Heinrich Krelage in 1942 in zijn studie naar speculatie met tulpenbollen.

Vooral in Holland en West-Friesland, maar ook in andere delen van Nederland werd op grote schaal gespeculeerd met tulpenbollen. Zeldzame varianten werden soms per stuk verkocht, en niet zelden werd er gehandeld in bollen die men niet eens bezat. Windhandel uit louter winstbejag door lieden die van tulpen geen verstand hadden. ‘De sin en ’t hooft is heel aan het hollen, door de nietighe Tulpabollen,’ schreef Steven Teunisz van der Lust. Een bekend slachtoffer van speculatie met tulpenbollen is schilder Jan van Goyen (1596-1656) die, aangestoken door de tulpenrage, zijn hele vermogen verloor.

Hugenoten die op de vlucht gingen voor de vervolging door de rooms-katholieke Lodewijk XIV, namen als het even kon – nog liever dan het kapitaal dat zij eventueel bezaten – kostbare tulpenbollen mee naar hun toevluchtsoorden. Op die manier verspreidden allerlei tulpensoorten zich in Europa en kwamen bijvoorbeeld in Engeland terecht. Enkele decennia na de Hollandse tulpengekte in 1680 volgde een tweede vluchtelingenstroom van hugenoten, met tulpenbollen beladen, naar Engeland.

Wie een kaart zou tekenen van de verspreiding van verschillende tulpensoorten in Europa, krijgt daarmee waarschijnlijk een aardige indruk van de migratiepatronen van vluchtelingen. Het is dan ook niet vreemd dat tulpen werden geassocieerd met nieuwkomers, migranten die niet steeds even gastvrij werden behandeld, al gaven ze nog zo’n belangrijke impuls aan de economie. In het artikel Krakeel in het bloemperk. Rederijkers, tulpen en vreemdelingenpolitiek stelden Johan Koppenol en Garrelt Verhoeven vast dat tulpengekte in 1611 zelfs in de poëzie zijn beslag kreeg. In het gedicht Een droevige claegreden van de Witte Lelie is sprake van een poëtische aanval van de lelie op de tulp, die snel oprukte in de bloemenwereld.

Inburgerende tulp

Leemeijers vitale tulpen worden juist behandeld en gekoesterd als welkome migranten, die worden uitgenodigd in te burgeren, of beter te verwilderen, in hun nieuwe omgeving. De botanische tulpen bezitten namelijk aanmerkelijk meer evolutionaire potentie dan gedegenereerde cultuurvarianten als ‘de Pink Twist,’ ‘Pim Fortuyn’ of ‘Idol.’ Als ze aanslaan, zullen ze op de lange duur van vorm veranderen, en nieuwe aanpassingen ontwikkelen, want in Diepenheim, of waar Leemeijer haar onbegrensde tuinen maar wil laten opkomen, worden ze zeker blootgesteld aan andere omstandigheden dan in een rotsachtig woestijngebied of aan de voet van besneeuwde bergen.

Zo zouden het op den duur nieuwe tulpen, of neotulpen kunnen worden. Op een oceanisch eiland zou een onderneming als die van Leemeijer een bedreiging kunnen vormen voor de inheemse flora die vaak kwetsbaar is. Een onwenselijk experiment. In Nederland dat op een groot continent ligt en toch al voor de helft uit exoten bestaat, valt dat waarschijnlijk wel mee.

Zou je, in hedendaags perspectief, het project van de onbegrensde tuinen dan niet zo kunnen opvatten: 70.000 bollen van wilde tulpen als voorbode van een reusachtige stroom vluchtelingen uit Afghanistan, Pakistan, Iran? Tulpen als bloeiende magneten waar asielzoekers op af zullen komen. Wie weet dragen de Diepenheimse bollen bij aan een toekomstige verspreidingskaart van vluchtelingen.

Ik heb eens een tocht gemaakt naar het Oost-Afrikaanse dorp Ujiji, vlak bij het Tanganyikameer, de plek waar Stanley en Livingstone hun legendarische ontmoeting hadden. Er staan, net als in de stad Tabora, opvallend veel oude mangobomen, vaak in groepen bij elkaar. Het zijn plaatsen waar tot ver in de negentiende eeuw slaven hebben gebivakkeerd voordat zij werden afgevoerd naar de kust. Slaven die werden gevoed met mango’s. Uit de reusachtige pitten zijn deze bomen gegroeid. Ook staan er vanaf Ujiji tot Bagamoyo, een stad aan de Indische Oceaan, vlak tegenover het eiland Zanzibar, negentiende-eeuwse mangobomen die eraan herinneren dat er op grote schaal slaven uit Ujiji en omstreken werden gedwongen te voet de 1.200 km lange weg naar de kust af te leggen. Vanaf Zanzibar werden zij gedeporteerd naar Arabische landen, India en Iran. Mango’s zijn geen Afrikaanse bomen, maar exoten die in de tiende eeuw uit Azië werden ingevoerd in Afrika.

Dat slepen met exoten nam in de koloniale tijd nog weer sterk toe. Er ontstonden duizenden zogenaamde Acclimatization Societies. Het streven van deze koloniale verenigingen was om planten of dieren die decoratieve waarde hadden of nuttig werden gevonden, uit het moederland over te brengen naar overzeese koloniën. Voor de emigranten zouden de planten en dieren het leven op vreemde bodem dragelijker maken. Die voelden zich wat minder ontheemd.

Omgekeerd maken de wilde tulpen uit gebieden waarvandaan grote hoeveelheden vluchtelingen te verwachten zijn, het aan immigranten en asielzoekers misschien gemakkelijker hier te wennen. Hopelijk vinden de wilde tulpen van Leemeijer als ‘garden escapes’ hun weg naar asielzoekerscentra en doen zij daar alsnog hun werk als verzachters van vluchtelingenheimwee.