Brute machtsblokken dreigen de rechtsorde van VN te vervangen

Staten weten zich geen raad met klimaat en terrorisme. Burgers voelen zich meer thuis bij ngo’s. Legitimiteitscrisis, aldus Mark Malloch Brown.

De nationale staat heeft het moeilijk. Die klassieke verstrekker van veiligheid en basiswelzijn in ruil voor de loyaliteit van zijn burgers wordt bedreigd als de fundamentele eenheid in het internationaal verkeer. Allereerst stelt de mondialisering de nationale overheden voor problemen als klimaatverandering, grensoverschrijdend terrorisme en internationale migratie, waartegen de traditionele instrumenten van de soevereine staat te kort schieten. Gevoegd bij de weldaad van meer handel, nopen deze krachten tot een opwaartse overdracht van macht aan regionale veiligheidsorganisaties als de NAVO of handelsorganisaties als EU, NAFTA of APEC.

Maar bij deze machtsoverdracht aan regionale blokken wordt tegelijkertijd het burgerschap de andere kant op getrokken. De traditionele rol van de staat wordt op de proef gesteld door nieuwe vormen van loyaliteit en vereniging. Sommige zijn geografisch; er zijn ten minste 40 aspirant-Schotlanden die streven naar een soort afscheiding van het land waartoe ze nu behoren. Andere loyaliteiten berusten op andere, verwante identiteiten – niet alleen godsdienstig of etnisch, maar op grond van gedeelde commerciële, politieke of andere belangen. We zijn nu veel vaker lid van niet-gouvernementele organisaties (ngo’s) dan van politieke partijen. De dierenbescherming heeft in Groot-Brittannië meer leden dan de Conservatieven of Labour.

Zo’n alternatief beroep op burgerschap is algemeen in een wereld die door communicatie is geslonken en waarin een mondiale agenda voor klimaat, milieu en mensenrechten is ontstaan. De staat is overduidelijk geen doelmatig middel om dergelijke zaken aan te pakken – zou u bij uw regering lobbyen of een ngo steunen om in Syrië te helpen? – en in de ogen van de burgers is de staat daardoor nauwelijks geschikt voor zijn doel. Maar hoe leiders reageren is een andere kwestie. In het Westen lijkt de staat de handdoek in de ring te hebben gegooid, met als gevolg de opkomst van niet-statelijke machtsstructuren als het steeds zelfbewuster stadsbestuur in Londen en New York, krachtige mensenrechten- of milieubewegingen of supranationale bedrijfsorganisaties en hun al even niet-nationale toezichthouders. In China en Rusland daarentegen heeft de staat, althans voorlopig, bij wijze van reactie zijn macht laten gelden om de burgers de antwoorden te geven waar ze naar op zoek zijn. Beide staten hernieuwen hun beroep op volstrekte loyaliteit.

Maar wat betekent deze vreemde staat van de Staat voor internationale zaken? Plotseling moeten internationale instellingen tegemoet komen aan iets wat bijna een glijdende schaal van staten te noemen is: aan de ene kant de oude kolossen, de traditionele veteranen die naar een monopolie streven op zowel de binnenlandse politieke ruimte als op de vertegenwoordiging van hun nationale belangen in het buitenland. Aan de andere kant staan de bijna ‘post’-staten, waar de vertegenwoordiging over kwesties als mensenrechten of milieuproblemen gewillig wordt gedeeld met collega-ngo-activisten.

Sterker nog, de meer traditionele staten voelen er weinig voor om een groepering op te nemen waarvan ze de aanspraken op legitimiteit zwak vinden. Waarom zouden de rechten van ontheemden die zijn verdreven door een dam of zijn gemarginaliseerd door een conflict of economische uitsluiting, worden vertegenwoordigd door een internationale ngo op het terrein van ontwikkelingssamenwerking en niet door de ambassadeur van een land? Deze groeiende structurele belemmering voor de vertegenwoordiging van een wereld waarin sommige staten in opmars zijn en andere bergafwaarts gaan, wordt helaas vergezeld door een tweede, even grote uitdaging: de politieke orde die na 1989 ontstond, heeft haar beslag gekregen. Rusland is terug, China is zijn rol als mondiale handelsnatie en regionale politieke macht ontgroeid en na een jarenlange wisselende aandacht en ingesleten dubbele moraal dreigt een verschrikkelijke oogst in het Midden-Oosten.

In een tijd van hernieuwde wanorde vormen deze verschillende stemmingen en staatsmodellen een reële bedreiging van het VN-systeem met een orde op basis van collectieve veiligheid en regels. Als de wereld vrij baan krijgt zoals nu, dan is het heel voorstelbaar dat steeds zwakkere, kleinere staten zich tot de machtige zullen moeten wenden in plaats van bescherming bij een internationale orde te zoeken. Naakte staats- en blokmacht zou weleens de internationale rechtsorde kunnen vervangen. Maar ook al lijken de vooruitzichten somber, er zijn ook hoopvolle strohalmen. Op institutioneel niveau zouden de veranderingen moeten beginnen bij de VN-Veiligheidsraad en The Elders, een groep waartoe ook enkele oud-VN-leiders zoals Kofi Annan behoren, hebben verstandige voorstellen gedaan voor een hernieuwde zoektocht naar succesvolle hervormingen.

Wat Russen, evenzeer als Amerikanen of Chinezen, in het algemeen en in weerwil van het lawaai van hun politici nog altijd het liefst willen, is een vreedzame, voorspelbare internationale orde die hen in staat stelt voor hun gezin te zorgen en de voordelen te genieten van een gouden eeuw van mondiale handel en technologie. En zeker omdat zoveel verstandige Aziaten hun economische succes toeschrijven aan de westerse commerciële rechtsorde waarbinnen ze hebben kunnen opereren, kan er – zolang eigendom en leiding van deze instellingen beter worden gedeeld – een enorm reservoir aan loyaliteit worden aangesproken. Mettertijd zullen staten misschien dus wel niet zo verschillen in hun ambities en mogelijkheden als nu het geval lijkt en zal de huidige tendens tot de brute kracht van de gebalde vuist weer voor een mondiale rechtsorde worden ingeruild. Maar als dit gebeurt, zal het komen omdat overal burgers zich voor een herstel van de staat inzetten en hem dwingen opnieuw de strijd aan te gaan.