Bezeten door blinde ambitie

Gezelschap Dood Paard speelt ‘Macbain’, waarin Macbeth samenvalt met rockster Kurt Cobain.

Manja Topper van Dood Paard, in Macbain

De koning en de koningin zitten op hun groene bank. Ooit waren ze angstaanjagend, nu zijn ze eenzaam en uitgeput. Ze hebben alleen nog de herinnering aan de misdaden die ze pleegden. Maar hun moorden zijn verjaard. Ze praten enkel nog over bloed. Zij zijn vermoeide vampiers. Eeuwenoud.

In Macbain, geschreven door Gerardjan Rijnders, zien we hoe het Macbeth en zijn vrouw vergaat als het met moorden is gedaan, en ze zich terugtrekken in hun kasteel, vluchtend in waanzin, wachtend op de dood. In het stuk vermengt Rijnders scènes uit Shakespeares koningsdrama met dagboekfragmenten en songtekstflarden van Kurt Cobain, de overleden zanger van rockband Nirvana. Macbain wordt nu opgevoerd door Manja Topper en Gillis Biesheuvel van Dood Paard.

Topper en Biesheuvel verdiepten zich uitvoerig in het oeverloze materiaal over Cobain: biografieën, dagboeken, interviews, tv-fragmenten, en zij begrijpen de parallel. Topper: „Macbeth en Cobain werden beiden gekenmerkt door blinde ambitie, de eerste naar macht, de tweede naar roem. En bij allebei zie je dat die monsterlijke vormen aanneemt en hen verzwelgt.” Biesheuvel: „Zo’n obsessieve ambitie maakt eenzaam. Niets anders doet ertoe. De macht bij Macbeth en de roem – en drugs – bij Cobain maakten hen volstrekt paranoïde. Cobain en zijn vrouw Courtney Love trokken zich terug in hun eigen wereld en vertrouwden niemand, ook elkaar niet. Gerardjan heeft zich afgevraagd wat er dan overblijft. Elkaar en de waanzin.”

Topper vertelt dat alle documentatie over Cobain en Love gaandeweg tot een gevoel van overconsumptie leidde, „alsof je te veel snoepgoed hebt gegeten”. Van alles wat ze lazen was het meeste waar-de-loos, aldus Topper. „Dat komt deels door de leegte van hun levens en deels door de machinerie van de roem met de mediahypes daaromheen.”

Die wilden Biesheuvel en Topper in hun voorstelling graag laten zien, dus spelen zij voorafgaand aan Rijnders’ tekst een interview van een idolate journalist met Kurt en Courtney, gebaseerd op echte interviewfragmenten. Topper: „Die bewondering wilden we bij dit stuk trekken. Omdat die zo bepalend was voor wie zij waren.”

Tegelijkertijd maakte het lezen van Macbain ook weer heel benieuwd naar die andere bron: Macbeth. Biesheuvel: „Tijdens het lezen wisten we wel dat Gerardjan daarnaar verwees, maar we hielden steeds dat gevoel van: hoe zat het ook alweer?” Daarom besloten ze, in een tweede deel, de cruciale scènes uit Macbeth nog even te herhalen. Biesheuvel: „Hoe meer je weet van Macbeth, hoe beter Macbain wordt.” Nu spelen ze na het interview in noodtempo de relevante scènes uit Macbeth na, met plastic zwaard en speelgoedkroon, als een hysterische poppenkast, een bad trip. Biesheuvel: „Ken je dat YouTube-filmpje waarin Amy Winehouse en Pete Doherty zwaar gedrogeerd met babymuisjes spelen? Dit lijkt daar een beetje op.”

Componist Wessel Schrik arrangeerde voor dit deel Nirvana-nummers met middeleeuwse instrumenten: blokfluit, harp, draailier. „Lekker cartoonesk, dat past bij die poppenkast.” En zo ontstond opeens een drieluik. Topper: „Eerst zoomen we in op Kurt en Courtney, dan zappen we langs Macbeth en zo komen we uit bij Gerardjan en Macbain.”

Rijnders schreef een huiveringwekkende, hermetische tekst; hard en gewelddadig. Topper en Biesheuvel vonden hem meteen prachtig. Biesheuvel: „Wat ik er heel goed aan vind is dat Gerardjan de achterkant van alles toont: de achterkant van macht, roem, van het huwelijk. Het begint subtiel en gaandeweg opent zich een verschrikkelijke afgrond, omdat ze het over de moorden gaan hebben, waarvan ze elkaar de schuld geven.”

Topper: „Ik had wel moeite met de hardheid, maar ik denk dat wij daar in ons spel iets zachters, iets verdrietigs aan toevoegen. Het is ook gewoon een echtpaar, voor wie zelfs het uitvechten van een slecht huwelijk ver achter ze ligt. In die zin doen ze ook denken aan Martha en George uit Who’s afraid of Virginia Woolf.” Biesheuvel: „Maar dan wel vér voorbij het punt waarop Albee ze beschreef.”

Als Topper en Biesheuvel een paar scènes spelen, blijkt de bloederige tekst van Rijnders fraai gebed in berustend, bijna bedaagd spel. Bejaarde moordenaars. Ondertussen symboliseert de onheilspellende soundscape van Wessel Schrik, met bevend bestek op een trillende plastic plaat, het gevaar van de oprukkende legers, en de oprukkende waanzin.

Biesheuvel: „Juist omdat we die twee andere delen hebben, kan het laatste sober zijn. Daar volstaat bijna de tekst van Rijnders alleen.” Voor de zekerheid hadden ze wel al twee emmers nepbloed uit de opslag gehaald. Die blijven nu onbenut. Topper: „Maar dat spul is op suikerbasis, dus dat blijft eeuwig goed.”