Column

Aubade

Was het nou een oranje of een rood bovenstuk dat ze in kamp Westerbork had moeten dragen? Frieda Menco twijfelt. „Ik ben gericht op kleuren en vormen”, zegt ze, „maar dit weet ik niet meer. Ik dacht rood.” Ze kwam daar in juli 1944 met haar ouders binnen, als strafgevangene, omdat ze ondergedoken had gezeten. Kort na hen arriveerde de familie Frank. Die kende ze uit Amsterdam-Zuid. Ze was 19 jaar, precies tussen Margot en Anne in. Met hen reisde ze in september van dat jaar in de allerlaatste trein naar Auschwitz.

Praten over de oorlog valt Frieda Menco (89) steeds zwaarder. Hoe houd je de herinnering zuiver? Hoe geef je die de juiste betekenis? Ze werd na aankomst geselecteerd voor de rij van gevangenen die kennelijk nog van nut konden zijn. Ze kreeg een zomerjurk toegeworpen en twee linkerschoenen. De dagen bracht ze door met het sjouwen van stapels stenen, zoveel als er tussen haar handen en haar kin pasten.

Toen ze roodvonk kreeg en daarna tyfus en pleuritis, belandde ze in de ziekenbarak. Daar kwam ze de zusjes Frank weer tegen. Die hadden schurft. Zij werden eind oktober 1944 ontslagen, Frieda bleef. Zij gingen op dodenmars naar Bergen-Belsen, Frieda werd in januari door de Russen bevrijd. Anne en Margot stierven, naar we deze week hoorden waarschijnlijk al in februari 1945. Frieda leeft.

„Ik denk er iedere dag over na”, zegt ze. „In mijn herinnering verbleekt alles bij dat ene jaar.” Alles had ook anders kunnen lopen. Alle gebeurtenissen zijn overspoeld door nog vreselijker gebeurtenissen. „Daarom beperk ik mijn gedachten. Ik ben altijd nieuwsgierig, er gebeuren altijd nieuwe dingen.”

Vanochtend zitten harpiste Lavinia Meijer en bandoneonspeler Carel Kraayenhof tussen de schuifdeuren in de kamer van Frieda Menco in Amsterdam-Zuid. Aan de muren abstracte kunst, op de vloer eikenhouten parket. „U kunt niet makkelijk meer naar buiten”, zegt Kraayenhof, „daarom komen wij naar binnen. Het is een voorrecht om voor u te spelen.” De harp van Lavinia Meijer past net in de lift.

Met z’n vieren luisteren we naar Spaanse dansen en bij de uithalen van de bandoneon knijpt Frieda in mijn hand. „Ik weet precies hoe dit mij raakt”, zegt ze. „En dat het eindigt met iets dat zo blij is.”

Kraayenhof laat voor het eerst So many partings horen, een wals die hij schreef over de Ierse hongersnood in de 19de eeuw. „Het is zo ongelofelijk dat ze er altijd zijn geweest, massasterftes”, zegt Frieda stil.

„Zo lang mensen geloven dat macht en geld het belangrijkst zijn, zullen er mensen worden vermoord”, zegt Kraayenhof.

Ze knikt. „Zou het? Soms kan ik de dingen die ik zelf heb meegemaakt niet goed meer begrijpen.”

Dan spelen ze een zamba over een poes op drie pootjes. Lavinia tokkelt, en tikt op het hout van de harp, de bandoneon kronkelt als een kat. „Hij weet dat ik gek op katten ben”, zegt Frieda. „Ah jongens, fantastico.”

Meteen daarna kijkt ze serieus. „Sinds twee jaar heb ik een slecht gevoel over de teruggekeerde Jodenhaat”, zegt ze. „Die hangt weer in de lucht en doet me denken aan de stad in de dertiger jaren.” Ze staat op, trekt haar hemelsblauwe trui recht en belt de slager aan de overkant om broodjes te bestellen.