Kamelenskelet gevonden van Ottomaanse leger, vlakbij Wenen

Bij opgravingen voorafgaand aan de bouw van een winkelcentrum in het Oostenrijkse Tulln hebben archeologen het complete skelet gevonden van een kameel (PLOS ONE, 1 april). Het dier maakte hoogstwaarschijnlijk deel uit van de Ottomaanse legertros die in de zomer van 1683 optrok naar Wenen.

De vindplaats ligt vlakbij het centrale marktplein van Tulln, waar in de 17de eeuw de taveerne Auf der Rossmühle stond. Het skelet lag in de kelder van deze herberg, tussen grote hoeveelheden huishoudelijk afval, zoals botten en aardewerk. Archeologen vonden bij het skelet ook een zogenoemde Rechenpfennig met het portret van de Franse koning Lodewijk XIV. Verder een loden medicijnfles uit de Apotheke zur Goldenen Krone in Wenen, te dateren tussen 1628 en 1665. Deze vondsten suggereren dat de kameel, een mannetje, aan het eind van de 17de eeuw gestorven moet zijn.

Uit het gebeente van de kameel bleek dat het geen lastdier was, maar een rijdier. Het gaat overigens om een hybride: oud DNA wees op een dromedaris in de moederlijn en een kameel in de vaderlijn. Die twee soorten werden al lang voor het begin van onze jaartelling gekruist in het Midden-Oosten.

Uit historische bronnen blijkt dat er contact is geweest tussen Ottomaanse soldaten en inwoners van Tulln. Het is onmogelijk na te gaan hoe de kameel binnen de stadsmuren is gekomen. Hij kan zijn geruild met bewoners, of zijn achtergelaten.

De Oostenrijkers hebben het dier mogelijk tentoongesteld als een ‘exotisch creatuur’, maar waren niet vertrouwd met de voedingsgewoonten van kamelen. En het was oorlog, voedsel was schaars. De eigenaar heeft het dier vervolgens niet geslacht, zoals Turken en Arabieren in het Ottomaanse leger zeker zouden hebben gedaan. Het skelet is intact gevonden, zonder snijsporen.