Nu moet Hazes zelf de grappen maken

Voor de film was er al de succesmusical over André Hazes. Wat zijn precies de overeenkomsten en verschillen?

Eén symbool stond in de musical Hij gelooft in mij, over leven en lijden van André Hazes, centraal op de achtergrond: een ijskast, hagelwit en manshoog. Telkens liep de zanger naar dat attribuut, met een tred die allengs meer op waggelen begon te lijken, en steeds haalde hij er een groen blikje uit. Hij trok aan het lipje en daar klonk dan, honderdvoudig versterkt, het kraken van het blik en het koolzuurgesis dat daarop volgde. In de film Bloed zweet & tranen ontbreekt zo’n zinnebeeld. In plaats daarvan zijn de blikjes Heineken bijna alom tegenwoordig – in ijskasten en koeltassen, op tafels van kleedkamers, verfrommeld op de vloer, op de tray waarmee de man van de roomservice in de deuropening van de hotelkamer staat, in het dashboard van de auto en vaak in de knuist van de zanger. Omdat van het medium film nu eenmaal realisme wordt verwacht.

Alleen het vette geluidseffect bij het openen van die blikjes komt nog overeen. Dat lijkt filmregisseur Diederick Koopal te hebben afgekeken van musicalregisseur Ruut Weissman. Zoals ook hoofdrolspeler Martijn Fischer via de musical in de film is terechtgekomen.

Vergelijkbaar zijn de musical en de film verder niet. Ondanks het feit dat de film werd geschreven door Frank Ketelaar, die ook, samen met Kees Prins, verantwoordelijk was voor het musicalscript. In de musical, die met 770 voorstellingen ruim 700.000 bezoekers trok, waren de Hazes-nummers volgens de wetten van de musical over diverse hoofdpersonen verdeeld om ze tot onderdeel van de dramatische intrige te maken. Zo was de Rachel Hazes-figuur degene die Zij gelooft in mij zong – in een hij-versie.

Maar het grootste verschil is dat de musical alleen de laatste jaren van Hazes’ leven bestreek, door de ogen van Rachel, zijn laatste vrouw. Terwijl de film drie perioden laat zien: ’s mans jeugdjaren onder de knoet van zijn licht ontvlambare vader, de glorietijd in de jaren tachtig en de lijdensweg van de doof wordende alcoholist.

Door telkens tussen die drie levensfasen te switchen zet Koopal de onzekere, steeds hulpelozer wordende zanger nadrukkelijk in de schaduw van diens moeizame jeugd. De musical legde dat verband niet; daarin waren Hazes’ kinderjaren geen onderwerp van gesprek. Hazes dronk nu eenmaal.

En ook de lach komt van een andere kant. In de musical waren het Hazes’ ietwat karikaturale schoonouders die voor het comedyelement zorgden. Maar in de film komen zij niet voor; daar is het Hazes zelf die zich met geintjes en gebbetjes een houding tracht te geven. Zo is bijna alles anders. Niet beter of slechter, maar anders.