‘Na profvoetballers hebben wetenschappers het vaakst tijdelijke aanstellingen’

Deze week een these van filosoof en flexdocent Martijntje Smits.

Foto Robin Utrecht, ANP

De aanleiding

Het Maagdenhuisprotest wordt inmiddels net zozeer gedragen door docenten als door studenten. Een van hun klachten luidt dat het aandeel flexwerkers op universiteiten te hoog is. Veel wetenschappers zitten jarenlang op tijdelijke contracten en dat komt hun werk(lust) niet ten goede, aldus de docenten. Filosoof en flexdocent Martijntje Smits schreef er in Trouw (van 21 maart) over. Als je promovendi meetelt, is maar liefst 60 procent van de wetenschappelijke medewerkers in tijdelijke dienst, schreef ze. „Op profvoetballers na is er geen beroepsgroep met zoveel tijdelijke aanstellingen als wetenschappers.” Dat gaan we checken.

Waar is het op gebaseerd?

Dat 60 procent van de wetenschappers in tijdelijke dienst is, blijkt uit een onderzoek van de Vakbond voor de wetenschap (VAWO), zegt Smits. En wat betreft die uitspraak over wetenschappers als bijna-flexkampioenen: dat is haar eigen conclusie. Profvoetballers, nam ze aan, lijken vrijwel altijd een tijdelijke aanstelling te hebben en wetenschappers aan de universiteit scoren qua flexwerk nog hoger dan werknemers in de horeca (57 procent in 2013). Dat laatste percentage haalde ze uit onderzoek van TNO.

En, klopt het?

Eerst die 60 procent. De VAWO schreef in het bewuste onderzoek uit 2013 dat 40,7 procent van de wetenschappers in tijdelijke dienst is. Daarbij zijn promovendi (altijd een tijdelijk contract) buiten beschouwing gelaten. Worden zij meegeteld dan blijkt 60 procent van de wetenschappers in tijdelijke dienst te zijn, schreef de VAWO.

Dat profvoetballers vrijwel altijd een tijdelijke aanstelling hebben klopt: ze tekenen voor een bepaalde periode bij een club. Daarom vallen ze ook buiten de Flexwet, die een limiet stelt aan het aantal tijdelijke contracten.

En andere beroepsgroepen? Smits verwijst naar het onderzoek van TNO uit 2013, waarin voor negen sectoren werd berekend hoe groot het aandeel flexwerkers was. Inderdaad scoorde de horeca daar het hoogst met 57 procent. Het problematische aan dit onderzoek is dat het sectoren onderzocht, geen beroepsgroepen.

Over de verhouding vast-flex in specifieke beroepen zijn ook cijfers. We kijken hiervoor naar een CBS-tabel met de cijfers over alle werkende Nederlanders in maart 2015. Hieruit blijkt dat in sommige beroepsgroepen nog veel meer flexwerkers voorkomen: van de taalkundigen en auteurs is 83 procent flexwerker, van de beeldend kunstenaars maar liefst 94 procent. Maar dat zijn beroepen waarin nu eenmaal bijna iedereen werkt als zzp’er.

Voor een goede vergelijking zou je zzp’ers niet moeten meetellen. In de tabel is te zien hoeveel van de mensen in elke beroepsgroep werknemer zijn en dus daadwerkelijk in dienst. Deze werknemers zijn weer uitgesplitst in vaste en flexibele werknemers. Als je op deze manier de zzp’ers weglaat, blijkt dat alleen ‘kelners en barpersoneel’ boven de 60 procent uitkomen: 66 procent is daar flexwerker. Hierna volgen de kassamedewerkers (57 procent) en laders, lossers en vakkenvullers (55 procent).

Conclusie

Als we flexwerkers ruim definiëren als iedereen zonder een vast contract, zijn er wel meer sectoren dan het professionele voetbal met meer flexwerkers dan de wetenschap. Maar dan vallen er ook zzp’ers onder, en Martijntje Smits had het over mensen met een ‘tijdelijke aanstelling’: werknemers dus. Als we kijken naar het percentage flexwerkers onder mensen in dienstverband, blijkt dat alleen kelners en barpersoneel hoger scoren dan wetenschappers. We beoordelen de stelling daarom als grotendeels waar.