Lubitz’ artsen voelen zich vast verschrikkelijk

Artsen wisten dat co-piloot Andreas Lubitz psychische problemen had. Hadden ze dat aan werkgever Germanwings moeten melden?

Het falen, de schaamte daarover, de twijfel aan zichzelf – Hjalmar van Marle, forensisch psychiater, voelt het allemaal weer bovenkomen als hij vertelt over een fatale beoordelingsfout die 27 jaar geleden werd gemaakt. Hij was geneesheer-directeur van de Mesdagkliniek voor forensische psychiatrie en met zijn toestemming was een van de tbs’ers onbegeleid met proefverlof gegaan. Dezelfde avond verkrachtte en vermoordde hij een 22-jarig meisje.

Van Marle vermoedt dat de artsen die Andreas Lubitz behandelden voor zijn depressies en suïcidaliteit zich verschrikkelijk zullen voelen. Hadden ze hun medisch beroepsgeheim moeten doorbreken en Lufthansa moeten waarschuwen? In Duitsland is die discussie in volle gang en in Nederland begint die ook weer op te komen.

Van Marle – hij is nu hoogleraar in het Erasmus MC – weet het antwoord niet, hij heeft vooral vragen en bedenkingen, zeker nu de communis opinio na de waarschijnlijk moedwillige crash van het Germanwings-toestel ‘ja, natuurlijk’ lijkt te zijn.

Die zaak verlies je al snel

Van Marle: „Wat gebeurt er als jij als behandelaar denkt dat jouw patiënt gaat moorden en je blijkt het mis te hebben? De patiënt dient een klacht in en jij kunt je verantwoorden voor het medisch tuchtcollege. Die zaak verlies je al snel, er was toch niets gebeurd? Er worden oneindig veel meer moorden aangekondigd dan uitgevoerd. Dus met die dreiging boven je hoofd kijk je wel uit en was je je handen liever in broodpap.” Broodpap? „Die blijft aan je kleven.”

Hij vertelt over een beruchte zaak uit 1976 in Californië, waarbij de familie van Tatiana Tarasoff de universiteitskliniek aanklaagde, omdat haar moordenaar eerder tegen zijn behandelaar over zijn plannen had verteld. De behandelaar had niets met die informatie gedaan. Het hooggerechtshof oordeelde dat de artsen in bepaalde gevallen de plicht hebben om te waarschuwen. „Toen werd het medisch beroepsgeheim voor het eerst beperkt”, zegt Van Marle. En terecht, vindt hij.

Hoe kán het dat dit gebeurd is?

In Nederland kwam het medisch beroepsgeheim volop in de aandacht in de zaak Tristan van der V. in 2011. Van der V. – hij schoot willekeurig mensen dood in een winkelcentrum in Alphen aan den Rijn – bleek aan paranoïde schizofrenie te lijden en had toch een wapenvergunning. Zijn behandelend artsen hadden nooit de politie gewaarschuwd en weigerden na zijn dood het medisch dossier te overhandigen aan justitie. Het verslag van de forensisch psychiatrische autopsie van Van der V. werd niet vrijgegeven.

Juridisch gezien allemaal begrijpelijk, zegt Van Marle. Maar voor de maatschappij niet goed. „Bij Andreas Lubitz vraagt iedereen zich af: hoe kán het dat dit gebeurd is, heeft niemand het zien aankomen? Nou, laten we het onderzoeken! We zullen ervan leren. En laten we iets verzinnen waardoor artsen niet in eenzaamheid hoeven te tobben in hun spreekkamer.”

René Kahn, hoogleraar psychiatrie in het UMC Utrecht, vindt ook dat artsen na zulke gruwelijke gebeurtenissen vrij zouden moeten zijn om mee te werken aan een onderzoek naar de psyche van de dader, in het belang van de samenleving. Had Lubitz nog vlieger mogen zijn, na zijn depressie en de zelfmoordfantasieën eerder in zijn leven? Kahn rekent voor dat de kans op recidive na een depressie 50 procent is. Dan zeg je dus: nee. Maar veel mensen maken een depressie door, afhankelijk van de ernst 10 tot 40 procent. „Die kun je moeilijk allemaal uitsluiten.”

Iets anders is die suïcidaliteit. Er is, zegt Kahn, in de hersenen een duidelijke relatie met agressie, ook tegenover anderen.”