Levensdelict in Tuitjenhorn

Welke lessen kunnen publiek en media trekken uit de zaak-Tuitjenhorn, het verhaal van de huisarts die over de schreef ging met een exorbitante dosis morfine voor een terminale patiënt? En wat kunnen we leren van de golf van onrust onder huisartsen over de ‘inmenging’ van justitie en inspectie?

De eerste les is eenvoudig: niet te snel oordelen. Niet op basis van intuïtieve sympathie voor zorgende artsen en reserve jegens strenge handhavers. Niet op basis van begrip voor de gevoelens van de oprechte en zeer betrokken nabestaanden, zowel van de patiënt als de arts. Niemand wil immers aan het sterfbed écht een rechercheur of inspecteur; maar wel de vertrouwde huisarts.

Voor een oordeel moet ieder durven wachten op de eventueel onaangename feiten, die gisteren afgewogen werden gepresenteerd door een onafhankelijke commissie. Daar bleek dat de instanties terecht handelden zoals ze deden. En dat de kritiek, die ook mogelijk was, ondergeschikte punten betrof. Afstemming, coördinatie en, bij het Openbaar Ministerie, maatvoering. Wat echter de meeste indruk blijft maken, is de dramatische misstap van de huisarts, waarvan details al bekend waren. De arts liet de begeleiding van de sedatie voor een terminale patiënt onverantwoordelijk lang over aan een arts-in-opleiding. Daarna greep hij, geschrokken over deplorabele toestand van de patiënt, naar een massieve, dodelijke overdosis zonder overleg met wie ook. In het politieverhoor toont de arts zich schuldbewust over wat feitelijk een levensdelict was: „Hier heb ik verzaakt.” Misschien verklaart dit inzicht de wanhoop erna.

Dat de artsenorganisatie KNMG het rapport nu verwelkomt met het zinnetje dat „de zorg voor terminale patiënten bij artsen in goede handen is” doet dan ook enigszins vreemd aan. Het kan hooguit begrepen worden als een poging om de huisartsen in hun zelfvertrouwen en behoefte aan autonomie te bevestigen. Het kan waar zijn – het is het vermoedelijk ook – maar juist dit rapport kan deze conclusie niet dragen. Deze casus roept juist vragen op over falende toetsing en zelfcontrole bij een zwakke praktijk.

Wat achteraf ook indruk maakt is de geringe behoefte van (huis)artsen om zich toetsbaar op te stellen, zeker voor buitenstaanders. Daarin zijn artsen overigens niet uniek. Er bestaat een grote kloof tussen de huisartsenstand en de inspectie, die vertrouwen noch gezag geniet. Men kent elkaar nauwelijks: er zijn landelijk maar acht inspecteurs voor de elfduizend huisartsen beschikbaar. De commissie adviseert het veld dan ook dringend die afstand te overbruggen. ‘Tuitjenhorn’ heeft helaas aangetoond dat aan het sterfbed ook de inspecteur een rol heeft. En heel soms zelfs de officier.