Het lot van twee Japanse nijlpaarden in oorlogstijd

Recent Duits onderzoek toont hoe twee nijlpaarden in een Japanse zoo in april 1945 oorlogsslachtoffers werden.

Nijlpaard Kyoko en haar zoon Maru in de Ueno Zoo (Japan) in 1945.

Precies zeventig jaar geleden, op 1 april, ging in de dierentuin van Tokio een nijlpaard dood. Het nu boven water gehaalde verhaal van het dier is een illustratie van absurdisme tegen het eind van een oorlog.

In het wetenschappelijke tijdschrift Der Zoologische Garten beschrijft onderzoeker Freddy Litten het lot van twee nijlpaarden in oorlogstijd, onder de titel Adieu Hippo. Nee, het is niet ongebruikelijk dat in tijd van oorlog gevaarlijke dieren gedood worden, gezien de kans op ontsnapping. In de Ueno Zoo van Tokyo begon men al in 1943 voortvarend met het doden van dieren. Van bombardementen of dreigend voedselgebrek was nog geen sprake. En niet alleen gevaarlijke dieren werden gedood, zoals leeuwen of luipaarden – ook vogels en hertjes. De Amerikaanse bizons waren er trouwens al eerder aangegaan, omdat ze, inderdaad, Amerikaans waren.

In 1945 besloot men dat nijlpaard Kyoko en haar zoon Maru ook maar beter het veld konden ruimen. Hun bassin liet men leeglopen, en voedsel werd niet meer verstrekt. Twee weken na het inzetten van het onthoudingsregime stierf Maru, op één april. Het vermoeden is dat Kyoko ergens in hoek druppelend lekwater vond. Of was er een verzorger met medelijden die onder autoritair bewind wat ruimhartig het gangetje schrobde? In ieder geval, zij ging pas op 24 april dood.

Het is een rare, maar niet bepaald kleine voetnoot bij de geschiedenis. De gegevens van onderzoeker Litten die afgelopen maand online kwamen, maken het oorlogsverleden van de Japanse dierentuin – nu een moderne, als alle andere – extra ondoorgrondelijk. De staf liet bijvoorbeeld vastleggen dat de dieren niet met een injectie gedood konden worden; injectienaalden zouden op hun dikke huid afketsen. Tegelijkertijd legde men de bloedwaarden van de verzwakkende dieren vast – door monsters te nemen met een injectiespuit.

Litten duikt in zijn artikel ook nog in al bekendere feiten. Het doden van de andere dieren in de dierentuin was ook gezocht dramatisch. Men koos voor doodknuppelen, wurgen met touwen of vergiftiging. Drie geliefde olifanten wilde men via hun voer vergiftigen, maar die dieren weigerden elke verdachte hap. Dus koos men hier ook voor uithongering. Het duurde alleen erg lang.

Hun verhoopte dood werd inmiddels onbeschaamd ingezet als oorlogspropaganda; want die was de schuld van mogelijk dreigend Amerikaans geweld vanuit de lucht. Er werd met de nodige pr een druk bezochte rouwplechtigheid voor de dieren gehouden; twee olifanten waren ondertussen nog steeds niet dood, zij stonden vlakbij verborgen. Tot op het laatst bleven ze de trucjes vertonen waarmee ze vroeger met succes om voedsel bedelden.