Ha fijn, als toerist nucleair afval bekijken

België heeft zeven kerncentrales. Nu ligt nog 70.000 kuub aan nucleair afval in vaten opgeslagen in Dessel, vlak over de Nederlandse grens. Dat worden straks bunkers onder groene heuvels.

Veel protest tegen het nucleair afval is er nooit geweest in Dessel. Foto Chris Keulen

Net over de Nederlandse grens bij Bergeijk onder Eindhoven ligt op een terrein van 88 hectare het nucleaire afval van België opgeslagen. Achter een zwaarbeveiligd hekwerk, tussen dennenbossen en akkers. Nu is de opslag nog tijdelijk. Maar de plannen voor een definitieve berging van 70.000 kuub laag- en middelradioactief afval zijn vergevorderd.

De Belgische Nationale Instelling voor Radioactief Afval en Verrijkte Splijtstoffen (NIRAS) kan elk moment beginnen met de bouw van de daarvoor benodigde bovengrondse bunkers. Er ligt een plan voor een nucleair ‘attractiepark’ om mensen over de opslag te informeren. Het wachten is nog op de zegen van het Belgische Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle. Dat buigt zich over de vergunningaanvraag van NIRAS, die 20.000 pagina’s telt en jaren aan voorbereiding heeft gekost.

België heeft geen gas, zoals Nederland. Om meer zelfvoorzienend te zijn, zocht het land na de Tweede Wereldoorlog met hulp van de VS naar andere manieren om goedkoop aan energie te komen. Met gebruik van uranium uit de toenmalige kolonie Congo trad in 1956 de eerste kernreactor in werking. Inmiddels telt België zeven kerncentrales.

Betonblokken in bunkers

Lange tijd werd een groot deel van het kernafval gedumpt in de Golf van Biskaje, tot er in 1984 een wereldwijd verbod op zeeberging kwam. Vanaf dat moment ging Belgisch nucleair afval naar Dessel.

Daar werd het na verbranding, verdamping of samenpersing in metalen vaten gestopt. Ze stonden (en staan nog altijd) opgestapeld in een loods die er niet op gebouwd is eeuwen te blijven staan.

NIRAS, in 1980 opgericht, maakte plannen voor de definitieve berging van laag- en middelradioactief afval op Belgisch grondgebied. In 1994 had de instelling een concept bedacht dat zou kunnen worden uitgevoerd in 47 verschillende gemeenten. Die allemaal resoluut bedankten.

Al snel kwam NIRAS bij Dessel terecht. Burgemeester Van Dijck: „Zolang men overal nee zei, bleef het afval hier. Wij dachten liever mee over een definitieve oplossing dan dat we het probleem van generatie op generatie zouden doorgeven.”

Dessel doet het niet voor het niets. Het int bij NIRAS belasting op de tijdelijke opslag van nucleair afval op zijn grondgebied: jaarlijks 1,6 miljoen euro. Dat is 15 procent van de jaarinkomsten van de 9.000 inwoners tellende gemeente. Voor de definitieve berging wil Dessel de inwoners optimale veiligheid en gezondheid kunnen garanderen.

In die definitieve berging worden vaten per vier in een enorm betonblok vastgezet met cement, is het plan. De betonblokken worden opgestapeld in bunkers die met aarde kunnen worden afgedekt. Zo zouden op termijn enkel groene heuvels in het landschap overblijven. De definitieve opslag zou zeker driehonderd jaar standhouden (de periode die laag- en middelradioactief afval nodig heeft om onschadelijk te worden).

Het stralingsniveau? Verwaarloosbaar

NIRAS deed jaren onderzoek naar de veiligst mogelijke opslag. Er werd rekening gehouden met aardbevingen, al komen die in de Kempen maar eens in de 20.000 jaar voor. Projectleider Rudy Bosselaers: „De kans dat de bunker langer dan 300 jaar blijft bestaan is veel groter dan 99 procent. Het effect op het stralingsniveau in de omgeving is verwaarloosbaar.”

Inwoners van Dessel mochten in diverse werkgroepen meedenken over de definitieve berging. Zo ontstond het idee dat onder de bunkers een ruimte moest komen waarin robots met camera’s dag en nacht zouden rondrijden om te kijken of er ergens iets lekt. Veel protest tegen het nucleair afval is er in Dessel nooit geweest. Burgemeester Van Dijck: „Veel mensen in deze regio verdienen direct of indirect hun brood aan de nucleaire industrie.”

NIRAS verwacht dat toeristen binnen nu en vijf jaar door een zwaarbeveiligde passerelle over het nucleaire terrein kunnen lopen. Door loodglasvensters kunnen zij dan zien hoe nucleair afval wordt verwerkt, in vaten gestopt, in betonblokken vastgezet en over een spoorlijntje naar de definitieve berging wordt gereden.

De eerste installatie zal over veertig jaar helemaal gevuld zijn en zo’n vijftien jaar later verborgen zijn onder een groene heuvel. Van Dijck: „Eeuwen later zullen de bunkers overblijfselen in het landschap zijn, zoals Stonehenge of de hunebedden.”