Een te resolute gids naar de dood

Huisarts Nico Tromp diende een terminale patiënt een fatale dosis morfine toe. Hij ging veel te ver, is de conclusie.

Waar stopt de hulp die een huisarts zijn patiënt biedt, en waar begint het doden van diezelfde patiënt? Toen huisarts Nico Tromp (1954-2013) uit Tuitjenhorn in augustus 2013 zijn ernstig benauwde patiënt een dodelijke dosis morfine toediende, zette hij – toen nog onwetend – een van de meest ingewikkelde discussies binnen de beroepsgroep onder hoogspanning.

Voor een terminale, stervende patiënt is de huisarts de gids naar de dood. In overleg met patiënt en naasten moet de huisarts de route uitstippelen in een emotionele tijd, waarin de stervende vaak pijn afwisselt met benauwdheid, stokkende ademhaling, soms een helder moment.

De weg die Nico Tromp koos was de verkeerde, stelt de onafhankelijke commissie die de zaak onderzocht waarin Tromp zijn terminale patiënt met slokdarmkanker – zonder goed overleg – een veel te hoge dosis morfine (en slaapmiddelen) gaf. Tromp diende 1 gram morfine ineens toe, in plaats van de gebruikelijke 10 tot 50 milligram. Hij overtrad daarmee zowel de wet als heersende beroepsnormen. Het onderzoeksrapport, dat gisteren is gepresenteerd, laat daarover geen misverstand bestaan.

De Inspectie voor de Gezondheidszorg heeft bovendien, oordeelt de commissie, goed gehandeld door de zaak in onderzoek te nemen en justitie in te schakelen. De Inspectie voor de Gezondheidszorg stelt zelf in een gisteren naar buiten gekomen feitenrelaas dat Tromp „in ernstige mate” in strijd met de regels voor verantwoorde zorg handelde. Minister Schippers (Zorg, VVD) sloot zich daarbij aan.

Zelfmoord

Het lijkt een heldere zaak. Toch liep de discussie rond de beslissing van huisarts Tromp hoog op. Belangrijk is de dramatische wending in de nacht van 7 op 8 oktober 2013: Nico Tromp pleegde zelfmoord. Een paar dagen ervoor had de inspectie bekendgemaakt dat hij zijn beroep voorlopig niet meer mocht uitoefenen, omdat er een onderzoek was begonnen naar de dood van zijn patiënt. Tromp reageerde daar zeer emotioneel op, blijkt uit brieven die zijn advocaat stuurde aan de inspectie. De huisarts kampte met depressieve klachten, liet zich opnemen in een ggz-instelling.

Tromp besefte, schreef de advocaat toen, dat hij in een opwelling heeft gehandeld: „De huisarts ziet in dat hij onverstandig heeft gehandeld en zich te veel heeft laten leiden door zijn primaire impuls, namelijk om de patiënt zo snel als mogelijk pijn- en benauwdheidsvrij te krijgen.” Tromp werd in de weken voor zijn dood verhoord door justitie. De advocaat liet aan de inspectie weten dat Tromp labiel was en in het verleden werd opgenomen omdat hij suïcidaal was.

Maatschappelijke onrust

De onderzoekscommissie, onder leiding van advocaat-generaal bij de Hoge Raad Carel Bleichrodt, schrijft dat na de zelfmoord „grote maatschappelijke onrust” ontstond, die gepaard ging met „veel ophef, debatten in de media, speculaties en scherpe, op de persoon gerichte verwijten”. Artsen waren boos, sommigen schreven op de website van vakblad Medisch Contact dat de Inspectie voor de Gezondheidszorg de huisarts heeft „kapotgemaakt”.

De zelfmoord van Tromp heeft een substantieel wantrouwen blootgelegd tussen huisartsen, bekend met de woelige dagelijkse praktijk, en de in hun ogen te dogmatische inspectie. De onderzoekscommissie schrijft: „Meer in het bijzonder ontstond er binnen de beroepsgroep van huisartsen onzekerheid over het beleid inzake euthanasie en palliatieve zorg en over de wijze waarop dat beleid werd gehandhaafd.”

Huisartsen waren, kortom, massaal bang dat ze te eenvoudig te maken zouden krijgen met de politie als een patiënt in een complexe situatie overleed. Artsenfederatie KNMG en de Landelijke Huisartsen Vereniging lieten zich zeer kritisch uit over het strenge optreden van de inspectie.

Dit gevoel werd nog versterkt door een gesprek dat RTV Noord-Holland had met de weduwe van de patiënt die door Tromps toedoen zo snel overleed. De weduwe zei dat ze zeer tevreden was over de manier waarop Tromp had gehandeld. Ze legde de schuld voor Tromps zelfmoord bij de inspectie: „Toen ik uiteindelijk hoorde dat de dokter zelfmoord had gepleegd dacht ik: dat heeft justitie mooi voor elkaar.”

Naar de lieve Heer

Pas weken later, eind oktober, keerde de rust enigszins terug. De inspectie besloot het bevel te publiceren dat ze aan Tromp stuurde. Daaruit bleek voor het eerst dat Tromp een veel te hoge dosis morfine had toegediend. Een dag later publiceerde de Volkskrant het verslag van de co-assistent die de melding maakte – het is ook opgenomen in het onderzoeksrapport. Ze schreef dat Tromp haar vroeg een gram morfine klaar te maken. „Ik zei: ‘Dan vermoord ik hem’. Hij zei: ‘We helpen hem gewoon naar de lieve Heer.’ ”

Uit de rapporten blijkt duidelijk dat de zaak-Tuitjenhorn een buitengewone is, een incident. Het medisch handelen van huisarts Tromp was, zo zei minister Schippers gisteren, geen grensgeval; het viel ver over de grens. Opmerkelijk was vooral hoe snel en hoog de emoties in de maatschappelijke discussie vervolgens opliepen.

Deze zaak laat dan ook met name zien hoe gevoelig vraagstukken rond het levenseinde van terminale patiënten nog altijd liggen. Tromp heeft moeten laveren tussen de paniek en wensen van zijn patiënt – en diens vrouw, die achteraf blij was met zijn manier van handelen. Die handelwijze was alleen wel in strijd met de wet.

Huisartsen blijven benadrukken dat zij in dit soort complexe situaties gesteund en in elk geval gehoord willen worden. Er moet, zo vinden zij, ruimte blijven voor professionele vrijheid in situaties waarin geldende regels niet voorzien.