Commissie: Koninklijk Huis bezit één roofkunstwerk

foto ANP/ KONINKLIJKE VERZAMELING / B. GRISHAAVER

De koninklijke familie heeft een kunstwerk in bezit dat tijdens de Tweede Wereldoorlog door de Duitse bezetters is geroofd van Joodse eigenaren.

Dat concludeert de commissie die eind 2013 begon met een onderzoek naar de herkomst van tienduizenden kunstobjecten die behoren tot de zogenoemde Koninklijke Verzamelingen. Het gaat om het schilderij Het Haagse bos met gezicht op Paleis Huis ten Bosch van Joris van der Haagen.

Een Joodse verzamelaar moest het werk in 1942 afstaan aan de Amsterdamse roofbank Lippmann, Rosenthal & Co . Na de oorlog kwam het terecht bij een Nederlandse kunsthandel. In 1960 kocht koningin Juliana het aan, volgens de commissie zonder de geschiedenis van het werk te kennen.

Het Koninklijk Huis heeft contact opgenomen met de erfgenamen van de oorspronkelijke eigenaar om het schilderij terug te geven.

De commissie onderzocht alle kunstvoorwerpen die sinds 1933 door het Koninklijk Huis zijn aangekocht en vóór 1945 zijn gemaakt. In totaal werden 1.300 werken onderzocht. Uit het onderzoek blijkt dat de meeste al ver voor 1933 in koninklijk bezit waren. De verzameling bestaat uit tienduizenden objecten (zoals foto’s, boeken, servies, bestek) en duizenden kunstwerken (schilderijen, tekeningen, portretminiaturen).

Het schilderij De Heilige Hubertus in een landschap van Paul Bril, dat door koningin Juliana na in 1948 werd aangekocht van de Stichting Nederlandsch Kunstbezit, is door de commissie „nauwgezet onderzocht”. Onder meer het Haarlems Dagblad schreef eerder dat het werk afkomstig was uit de boedel van Hans Fischböcke, onder het nazibewind onder meer belast met de onteigening van Joodse vermogens. De commissie schrijft echter dat „in diverse bronnen geen roof, confiscatie of gedwongen verkoop vastgesteld” kon worden.

Het schilderij was al voor de bezetting van Nederland in mei 1940 in het bezit van een Nederlandse kunsthandelaar die na de oorlog verklaarde het werk vrijwillig te hebben verkocht. Mogelijk was het schilderij ooit eigendom van de Joodse Nederlandse kunstschilder Joseph Henri Gosschalk, stelt de commissie. Gosschalk, die de oorlog overleefde, heeft een lijst opgesteld van kunstwerken die hij moest inleveren bij een roofinstantie of op een andere manier onvrijwillig verloren was. Het werk van Paul Bril vermeldde hij niet.