Verzamelzucht

Schrijfster Pia de Jong verhuisde met haar gezin van Amsterdam naar Princeton, in de Verenigde Staten. Ze schrijft over wat haar opvalt.

Illustratie Eliane Gerrits

De broodmagere man die de deur voor me opent, kijkt me verschrikt aan. Hoewel het drie uur ’s middags is, loopt hij in een kamerjas. Onder het te korte donkergroene gewaad steken dunne benen en blote voeten in sandalen.

„Sorry, ik kom een pakketje brengen”, zeg ik. „Het was per ongeluk bij mij bezorgd en ik moest toch in de buurt zijn.”

„Wacht even”, zegt hij. Terwijl ik hem hoor wegschuifelen, kijk ik door een kier in de voordeur naar binnen. Zijn keuken ligt bezaaid met plastic bakjes, waar je in de supermarkt eten in schept. Ze liggen op de grond, het aanrecht, het fornuis. Daartussen lopen enkele hongerige katten te schooieren.

Hij komt terug met een leesbril en begint uitvoerig het pakket te bestuderen. „Dit pakket is niet voor mij”, zegt hij en gooit vervolgens de deur voor mijn neus dicht. Daar sta ik dan met mijn goede bedoelingen.

De volgende dag vertel ik het aan de postbode. „Oh, de hoarder”, zegt hij. „Elke dag haalt hij eten en voert dat aan zijn katten. De leeggelikte bakken bewaart hij. Zijn hele huis en zelfs zijn tuin staan ermee vol.

Verzamelzuchtigen sparen dingen op een dwangmatige manier. Hun verzamelwoede neemt vaak zulke extreme vormen aan dat ze door hun collectie verdreven worden naar steeds kleinere ruimtes. Eten, slapen, zitten – het wordt allemaal steeds lastiger.

Meestal zijn de verzamelobjecten waardeloos. Maar niet altijd. Toen Lucette Cassel, een hoogbejaarde weduwe, overleed, liet ze alles na aan de Rita Allen Foundation, een filantropische instelling in Princeton die baanbrekend wetenschappelijk onderzoek ondersteunt. De directeur van de stichting stond bij het betreden van het huis een verrassing te wachten.

„Ik wist dat deze dame rijk was”, vertelt de keurig in het pak gestoken vijftiger. „Een ruim appartement op Park Avenue is natuurlijk veel geld waard. Maar ik wist niet dat de hoofdverdieping vijfentwintig jaar lang niet geopend was geweest. Alle meubels stonden bovenop elkaar gestapeld, verborgen onder lakens. Het kinderloze echtpaar leefde ondertussen als paupers in hun eveneens volgestouwde kleine keukentje. Toen hij stierf, duurde het niet lang voor zij hem volgde.”

„Maar weet je, de echte verrassing hing aan de muren”, vervolgt hij. „Het echtpaar had een prachtige collectie impressionistische schilderijen.”

Een daarvan, verborgen achter spinrag en stof, was Les arceaux de roses van Claude Monet. De rode en paarse rozen in de beroemde bloementuin in Giverny, enigszins onheilspellend van sfeer, reflecteren lieflijk in pastel in de vijver, als een impressionistische Rorschach-test. Monet schilderde het in 1913, in een verdrietige periode van zijn leven. Zijn vrouw was overleden. Zijn tuin was door een overstroming lange tijd onbegaanbaar geweest. Toen de tuin gerestaureerd was, maakte hij dit kunstwerk.

De emotie die Monet in dit werk legde heeft niets van zijn kracht ingeboet, ook al werd het jarenlang door niemand gezien, verbogen achter slot en grendel en een dikke laag stof. Bij de veiling van Christie’s in 2007 bracht alleen al dit enkele schilderij 18 miljoen dollar op. De stichting kan met deze erfenis wel even vooruit.

Vandaag worden de jaarlijkse beurzen van de Rita Allen Foundation uitgereikt. Tijdens de receptie na afloop praat ik met een jonge vrouw. Zij is een van de gelukkigen die geld voor haar onderzoek heeft gekregen. „En wat ga je ermee doen?”, vraag ik. Ze zet haar glas champagne neer en zegt: „Ik ga onderzoek doen naar autisme.”