Margot was al te ziek, maar Anne kwam nog naar het hek

Over de laatste maanden van Anne en Margot Frank is weinig bekend. Dat ze pas in maart 1945 stierven is niet aannemelijk, schrijven Erika Prins en Gertjan Broek van de Anne Frank Stichting. Een verslag van hun zoektocht.

Woonbarakken in Kamp 2 van concentratiekamp Bergen-Belsen, in Duitsland. In dit kamp stierven Anne en Margot Frank. Foto The Weiner Library / Rex Features

Op de Lüneburger Heide, op het uitgestrekte terrein van de Gedenkstätte Bergen-Belsen, staat een monumentje voor Anne en Margot Frank. Er liggen vaak bloemen en cadeautjes, alsof het hun graf is. In werkelijkheid zijn zij net als tienduizenden andere slachtoffers van het concentratiekamp Bergen-Belsen gestorven op een onbekend moment op een onbekende plek.

De geschiedschrijving over Bergen-Belsen steunt grotendeels op nog enkele bewaard gebleven archiefstukken, kampdagboeken en getuigenissen van overlevenden. In maart 1945 vernietigde de Duitse kampleiding vrijwel de gehele kampadministratie om geen bewijs achter te laten. Kort na de bevrijding op 15 april brandden de Britse bevrijders vervolgens alle barakken plat om epidemieën te bestrijden.

De Anne Frank Stichting ondernam een nieuwe zoektocht naar de laatste maanden van Anne Frank en haar zus Margot. Officiële documenten stellen hun dood op 31 maart 1945, maar waar komt die datum vandaan? Archieven van het Rode Kruis, Bad Arolsen, de Gedenkstätte Bergen-Belsen en relevante getuigenissen van overlevenden zijn bestudeerd. Hieruit ontstond een beeld van wat zich in de laatste maanden voor de bevrijding in het kamp afspeelde.

Dat Anne en Margot pas in maart 1945 stierven, lijkt op basis hiervan niet aannemelijk.

Otto Frank keerde terug

Na zijn terugkeer in Amsterdam deed ook Otto Frank zelf – op kleine schaal – onderzoek naar de lotgevallen van zijn dochters. Hij zocht overlevenden op die met hen in dezelfde kampen zaten. Zo schreef hij op 29 oktober 1945 aan Nanette Blitz, een vroeger klasgenootje en tevens kampgenote van Anne: ‘Heb je hen ook nog den laatsten tijd gezien, toen zij ziek werden.’ Nanette wist van een andere kampgenote dat Anne en Margot op 3 november 1944 in Bergen-Belsen waren aangekomen. Zij schreef dit aan Otto Frank en voegde daar aan toe: ‘Ik was niet in hun barak maar bezocht hun vaak.’ Deze bezoeken gingen door tot januari 1945.

Auschwitz

Na hun arrestatie waren Anne en haar lotgenoten vanuit het Achterhuis in Amsterdam via het doorgangskamp Westerbork op 3 september 1944 op transport gesteld naar Auschwitz-Birkenau. Het transport arriveerde daar in de nacht van 5 op 6 september. Anne kwam met haar moeder Edith, Margot en mede-onderduikster Auguste van Pels in Birkenau terecht. Net als alle andere vrouwen van dit transport die de aankomstselectie overleefden, belandden ze in een kampgedeelte dat beoogde dwangarbeidsters huisvestte.

Anne verbleef twee maanden samen met haar moeder en zus in Birkenau. Het tatoeëren van een nummer op de linker onderarm, het kaalscheren, het urenlang op appèl staan, het geweld van de kampbewakers en andere mishandelingen zullen ze meegemaakt hebben. Altijd dreigde gevaar: uitslag, koorts of een verwonding kon bij de eerstvolgende selectie de gaskamer betekenen.

Op 26 oktober 1944 werden in Birkenau enkele honderden vrouwen geselecteerd om elders als dwangarbeidster tewerkgesteld te worden. Anne, Margot en Edith werden niet geselecteerd.

Vier dagen later volgde weer een selectie. Rosa de Winter beschrijft deze selectie in augustus 1945 in haar boek Aan de gaskamer ontsnapt! Talloze vrouwen, onder wie zijzelf, Anne, Margot en Edith, stonden naakt op de appèlplaats. Zo’n duizend vrouwen, ziek maar alsnog geschikt bevonden voor dwangarbeid, gingen op transport. Een kamparts selecteerde nu ook Anne en Margot. Doordat Edith achterbleef werden moeder en dochters definitief van elkaar gescheiden. Opgesloten in een barak wachtten Anne en Margot de ochtend af en na een urenlang appèl werden ze in veewagons gestopt. Brood, een stukje worst of kaas, wat margarine en per wagon een vat drinkwater; dat was alles wat ze meekregen. Met ongeveer zeventig anderen vertrokken ze in een vergrendelde wagon in de nacht van 1 november 1944 uit Auschwitz-Birkenau.

Bergen-Belsen

De reis duurde twee dagen. Regelmatig stonden ze stil, waren er beschietingen, en een enkele keer ging de deur even open. Niemand herinnert zich Anne en Margot tijdens deze vreselijke reis, maar de omstandigheden laten zich raden: honger, dorst, uitputting, ziekte en het gemis van hun moeder. Op 3 november 1944 arriveerde de trein nabij Bergen in Duitsland. Het was nog acht kilometer lopen door bossen en heidegebied naar het concentratiekamp Bergen-Belsen. Het was koud en nat en de vrouwen waren schamel gekleed. Gewapende bewakers met honden escorteerden hen. Het constante schieten op de pal naast het kamp gelegen Wehrmacht-schietbanen was beangstigend. Bij aankomst in het kamp kreeg iedereen een stukje stof met een nieuw kampnummer om op de kleding te dragen. De nummers op hun arm telden niet meer, want ieder kamp had een eigen registratiesysteem.

Binnen de omheining van Bergen-Belsen, op een grote vlakte, stonden ongeveer vijftien grote tenten, die sinds augustus 1944 dienden als verblijfplaats voor de grote transporten van dwangarbeidsters. Duizenden vrouwen waren Anne en Margot hier voorgegaan. Er was geen verlichting in dit deel van het kamp, en de watervoorziening was primitief. Een gegraven geul fungeerde als latrine. De overvolle tenten lekten. Het stro om op te slapen zat vol luis.

Kort na de aankomst van Anne, op 7 november 1944, richtte een hevige storm vernielingen aan in het tentenkamp. In de paniek die volgde vielen doden en gewonden. Het geschreeuw was in andere delen van het kamp te horen. Renata Lacqueur, die in een ander deel van het kamp zat – het zogenoemde Sternlager – en een dagboekje bijhield, schreef op 13 november 1944: ‘Verleden week woeien door een hevige herfststorm in de nacht in de stromende regen een paar tenten om en de vrouwen, haast zonder kleding of dekking, liggen onbeschermd in de koude.’ De vrouwen uit het tentenkamp werden tijdelijk in enkele opslagloodsen ondergebracht. Vervolgens kwamen ze terecht in barakken. Medegevangene Annelore Daniel vertelt dat zij en haar zus Ellen samen met Anne, Margot en Auguste van Pels in dezelfde barak in Bergen-Belsen zaten. Annelore herinnert zich dat ze dacht dat Auguste van Pels hun moeder was. Ze waren altijd met z’n drieën. De barakken waren door een dubbele prikkeldraadversperring afgescheiden van het Sternlager.

Het Sternlager, zo genoemd omdat de gevangenen hun eigen kleding-met-ster droegen, was in april 1943 als onderdeel van Bergen-Belsen ingericht. De ingezetenen hadden papieren die uitwisseling met in het buitenland geïnterneerde Duitsers, geld of deviezen mogelijk maakten. De gezinnen bleven bij elkaar en behielden hun bagage. Van uitwisseling kwam in de praktijk weinig terecht. De aanvankelijk betere omstandigheden in het Sternlager verslechterden snel toen Bergen-Belsen vanaf augustus 1944 overbevolkt raakte door de toevloed van de vele dwangarbeidsters.

Ontmoetingen

Wat weten we verder over Anne in Bergen-Belsen? Veel getuigenverklaringen die houvast kunnen geven, zijn er niet. Barakgenote Annelore Daniel herinnert zich dat de zusjes Frank en Auguste van Pels niet werkten. Zieken en zwakken kwamen daarvoor niet in aanmerking en bleven in de barak.

Nanette Blitz vertelt dat ze Anne een paar keer vanuit het Sternlager heeft gezien. Blijkens een bewaard gebleven ‘Transportliste’ kwam Nanette op 5 december 1944 vanuit het Sternlager in hetzelfde kampgedeelte terecht als Anne en Margot. Ze ging op zoek naar haar vroegere klasgenootje, en ze ontmoetten elkaar meerdere keren. Nanette noemt het achteraf een wonder dat ze elkaar herkenden: ‘Ze was toen al een geraamte. Ze was in een deken gewikkeld. Ze kon haar eigen kleren niet meer aan want die zaten vol van luizen.’ In januari 1945 zag Nanette Anne voor het laatst. In deze periode werden grote groepen gevangenen verplaatst binnen het kamp. Aan Otto Frank schreef Nanette in dit verband over een ‘grote verhuizing’. Voor de ingezetenen was het onmogelijk te overzien wie waar bleef.

De gevangenen in Bergen-Belsen waren constant op zoek naar familieleden en vrienden. De vele nieuwe transporten die in het kamp aankwamen, wakkerden deze zoektochten aan. Ruth Wiener, die Margot Frank van het Joods Lyceum kende, zat in het Sternlager en schreef op 20 december 1944 in een agenda: ‘Anne en Margot Frank in het andere kamp’. Bij het hek dat beide kampen van elkaar scheidde, wisselden gevangenen in het schemerdonker berichten uit. Dit was niet zonder risico.

Diverse getuigen vertellen dat ook Anne zich aan het hek waagde. Ze ontmoette enkele keren Hanneli Goslar, haar vriendinnetje uit Amsterdam dat sinds begin 1944 in het Sternlager verbleef. Uit recent afgenomen interviews blijkt dat de zussen Ilse en Martha van Collem, bekenden van de Franks uit de Joodse Liberale Gemeente in Amsterdam, hier ook bij waren.

Hanneli herinnert zich dat zij Anne begin februari 1945 een pakketje toewierp. Een document van het Rode Kruis toont aan dat Hanneli’s grootmoeder eind januari een voedselpakket van deze organisatie ontving. Volgens Hanneli kwam het contact met Anne aan het hek dankzij Auguste van Pels tot stand. De eerste ontmoeting moet daarom vóór 7 februari 1945 hebben plaatsgevonden, want op deze dag vertrok Auguste voor dwangarbeid naar Raguhn. Margot was volgens Hanneli al te ziek om ook naar het hek te komen. Hanneli plaatst zelf haar laatste contact met Anne in de eerste helft van februari.

Het einde

Vanaf december 1944 maakte het Russische leger zulke vorderingen dat grote transporten met gevangenen vanwege kampontruimingen in Polen westwaarts kwamen. Bergen-Belsen raakte overvol. In januari 1945 telde het kamp zo’n 19.000 gevangenen. Noodmaatregelen moesten de ergste knelpunten oplossen. Zo werd het vrouwenkamp rond 20 januari 1945 uitgebreid naar het terrein van het voormalige Russische krijgsgevangenenkamp. Desondanks braken door overbevolking en gebrekkige hygiëne besmettelijke ziekten uit. Vlektyfus nam in het vrouwenkamp snel epidemische vormen aan.

De rantsoenen verminderden. Op sommige dagen was er helemaal niets te eten en de watertoevoer stagneerde. Bergen-Belsen had geen gaskamers, maar in de twee maanden voor de bevrijding stierven soms meer dan duizend mensen per dag. Het crematorium kon de toevloed niet aan en overal lagen lijken.

Rachel van Amerongen en Jannie Brilleslijper, bekenden uit Westerbork, zagen bij Anne en Margot verschijnselen van vlektyfus. Ook barakgenote Annelore Daniel nam die symptomen waar. Rachel en Annelore vertrokken, net als Auguste van Pels, op 7 februari 1945 voor dwangarbeid naar Raguhn en hun observaties dateren dus van daarvoor.

Tot het ziektebeeld behoren, na een incubatietijd van ongeveer een week, hoofdpijn, spierpijn en hoge koorts. Na nog eens vijf dagen volgen huiduitslag en verminderd bewustzijn. Door de luizen in het stro en in haar kleding stond Anne al langere tijd bloot aan de voornaamste veroorzaker van epidemische vlektyfus. Nanettes omschrijving van Anne als ‘een geraamte’, die haar verluisde kleding niet meer droeg, krijgt zo meer reliëf. Zij zag Anne voor het laatst in januari, en die was toen al duidelijk erg ziek.

Margot was niet meer in staat om Hanneli bij het hek te ontmoeten. Zij was er op dat moment nog slechter aan toe dan haar zusje. Dat zij allebei zo ziek waren verklaart waarom zij niet naar Raguhn gingen. In feite loopt hier hun spoor dood.

Na de oorlog probeerde het Rode Kruis plaats en datum van overlijden van de vermisten bij benadering vast te stellen. Dit was destijds van groot belang voor nabestaanden die opnieuw wilden trouwen of erfkwesties moesten afhandelen. Jannie Brilleslijpers zus Lientje, die ook in Bergen-Belsen zat, vertelde het Rode Kruis dat Anne ongeveer in maart stierf. Het Rode Kruis concludeerde dat het overlijden viel tussen 1 en 31 maart 1945. De Nederlandse autoriteiten stelden vervolgens de officiële sterfdatum op 31 maart, voor zowel Anne als Margot.

Volgens het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu doen bij vlektyfus de meeste sterfgevallen zich ongeveer twaalf dagen na de eerste symptomen voor. Omdat Rachel van Amerongen, Hanneli Goslar, Nanette Blitz en Annelore Daniel al vóór 7 februari de symptomen bij Anne en Margot herkenden, en zij bovendien verzwakt in Bergen-Belsen aankwamen, lijkt de kans dat ze maart haalden niet aannemelijk. Hun overlijdensdatum zal dan, gezien het voorgaande, eerder ergens in februari liggen. Wanneer precies, dat weten we niet. In de woorden van Rachel: ‘Op een dag waren ze er gewoon niet meer.’