Van ongelukkige bankzitter tot hoop van de natie

Op jacht naar gelijkmaker koos Oranje voor een tactiek vol opportunisme. Het credo: alle ballen op debutant Bas Dost.

De ingebrachte stormram Bas Dost in duel met de Turkse verdediger Ersan Gulum. foto Stanley Gontha/ANP

Denk eens aan voetbal in lagere divisies. Aan opstijgende passes van verdedigers richting een grote, sterke spits in de punt van de aanval. Hij trekt, duwt en maakt zich breed om iets met de bal te doen. Iets, want bij kick and rush is het amper te voorspellen waar en bij wie de lange bal terechtkomt. Kunde is ondergeschikt aan zelf af te dwingen geluk.

Zó voetbalde het Nederlands elftal zaterdag het grootste deel van de tweede helft tegen Turkije. Na een eerste helft waarin maar 4 van 440 balberoeringen plaatsvonden in het Turkse strafschopgebied, moesten opportunistische lange ballen leiden tot de belangrijke gelijkmaker. Oranje moest scoren om uitzicht te houden op het EK in 2016 en deed dat in blessuretijd. Maker was Klaas-Jan Huntelaar die naar eigen zeggen bewust het schot van Wesley Sneijder toucheerde (1-1).

De keuze van bondscoach Guus Hiddink voor de lange bal zou je heiligschennis kunnen noemen in een land waar het combinatiespel van de Hollandse School wordt gepredikt. Maar ook de WK-ploeg van toenmalig oefenmeester Louis van Gaal had baat bij de lange bal, met als verschil dat het toen vooral draaide om de snelheid van de nu geblesseerde Arjen Robben.

Van Gaal zag wat Hiddink ook moet hebben ingezien: dat de wil om offensief combinatiespel te spelen, uitmondt in oeverloos getik. Grote kansen creëerde zijn ploeg dan ook niet. Mede doordat buitenspelers Memphis Depay en Ibrahim Afellay hun tegenstanders niet voorbijkwamen. Zij maakten Oranje letterlijk vleugellam.

Dus koos Hiddink in de tweede helft voor zijn plan B. Spil hierin was een speler op wie nooit eerder zoveel ogen waren gericht: Bas Dost. Ruim drie miljoen mensen zaten voor de televisie toen de topschutter van VfL Wolfsburg na een uur spelen debuteerde als international. De Arena juichte. Iedereen wist: Bas Dost is op dreef.

Zijn verhaal is dat van een bijna afgeschreven bankzitter die opbloeide toen hij in december eindelijk de kans kreeg in de Duitse Bundesliga. Hij scoorde sindsdien dertien keer, wat hem even een efficiëntere speler maakte dan grootheden als Messi en Ronaldo. „De beste spits in Europa die niemand kent”, schreef de Engelse krant The Independent over hem.

En nu, een zaterdagavond waarop Oranje in nood verkeerde, was de kaarsrechte targetman uit Deventer voor even de hoop van de natie. Alle ballen op Dost, was het credo.

„We hadden dat scenario doordeweeks al getraind”, zei Dost. „Ze zouden mijn hoofd zoeken en daarna zou ik de bal naar binnen koppen. Ik denk dat dat vaak genoeg is gebeurd. Ik heb zelden zoveel ballen op mijn hoofd gehad. Er kwam regelmatig gevaar uit.”

Toch leidde het hooguit tot wat onrust in de defensie van de opponent. De Turken speelden verdedigend, maar eenmaal aan de bal schoven ze beheerst op richting vijandelijk doel. Toen dat de 0-1 opleverde van Burak Yilmaz, volgde er een explosie van geluk bij de duizenden Turken op de tribune. Hun hartstocht zorgde voor een sfeer waarin het leek of Turkije thuis speelde, en niet het Nederlands elftal met zijn kalme Oranjelegioen.

Het was kortom geen avond om blij te zijn. Wesley Sneijder was het wel, toen hij na de late 1-1 de bal oppakte, deze onder zijn shirt deed en zijn duim in zijn mond stak, als blijk van het feit dat zijn vrouw Yolanthe zwanger is. Kennelijk wilde hij dit graag delen, maar uitblinker of niet, je kunt je afvragen hoe gepast dit gejubel was na opnieuw een zwakke pot van Oranje.

Treffender was de reactie van Dost. Natuurlijk was het iets om te koesteren, zijn debuut in Oranje, inclusief de bijbehorende uitreiking van het welbekende haasje. Maar een lach? Dat kon er niet vanaf. Hij knorde alsof hij had gefaald. Onterecht.