Steurtjes en steurtjestaal

ILLUSTRATIE OLIVIA ETTEMA

en steur is een kraakbenige zoetwatervis uit de familie van de glansschubbigen, aldus de Grote Van Dale. Maar in Nederlands-Indië, de voormalige kolonie van Nederland, betekende steur volgens de Grote Van Dale nog iets anders, namelijk ‘buitenechtelijk kind van een blanke vader en een Indische moeder’.

Die betekenis gaat terug op pater Johannes van der Steur (1865-1945), verre familie van onze nieuwe minister van Veiligheid en Justitie, Ard van der Steur.

De informatie in Van Dale is overigens niet helemaal correct. De juiste woordvorm is steurtje en niet alle buitenechtelijke kinderen met een blanke vader werden zo genoemd, maar alleen die kinderen die opgroeiden in een van de opvanghuizen van Johannes van der Steur.

De Haarlemmer Johannes van der Steur voelde zich al vroeg geroepen tot „daadwerkelijke Christelijke opheffende arbeid”. Hij werkte als bakkersknecht en postte in zijn vrije uren met andere ‘Middernachtzendingelingen’ bij de ingang van cafés en bordelen om klanten voor de zonde te behoeden. „Ik heb meermalen een pak slaag gehad in die dagen, ook meer dan eens een pot urine of faecaliën over mijn hoofd”, schreef hij in 1917 in een autobiografisch geschrift, „maar toch heb ik heerlijke herinneringen aan menschen, welke geheel en al tot inkeer kwamen.”

In 1892 had Van der Steur in de garnizoensplaats Magelang het eerste Militair Tehuis opgericht. In 1893 nam hij daar vier kinderen op van een gesneuvelde militair. Krap twee maanden later zorgde hij al voor veertien kinderen.

Pater Van der Steur mocht graag vertellen dat hij aanvankelijk al het werk zelf deed: kousen stoppen, kleren maken, eten koken. Maar dat was slechts een pr-verhaal. Vanaf het begin had hij hulp en binnen een jaar kwam zijn zuster Marie uit Nederland over. De eerste vijf jaar draaide het opvanghuis zonder subsidie, later kreeg Van der Steur steeds meer financiële steun. Zijn inrichting ‘Oranje Nassau’ werd steeds groter en bekender.

In 1942 had Van der Steur zo’n 1.100 kinderen onder zijn hoede en in totaal voorzag hij in de loop der jaren ruim duizend wezen, buitenechtelijke en verwaarloosde kinderen van een degelijke christelijke opvoeding.

Van der Steur werd door al zijn kinderen ‘Pa’ of ‘Paatje’ genoemd. De kinderen noemden zichzelf met trots steurtjes. In de opvanghuizen gebruikten ze een groepsjargon dat later de steurtjestaal is genoemd. Daar is een eerste inventarisatie van gemaakt, voor een proefschrift, maar dat is nooit voltooid.

Een voorbeeld van steurtjestaal is het woord baoe voor ‘stinken’. De kinderen zeiden bijvoorbeeld „jouw tjongor baoe half fijf” voor ‘je snuit ruikt naar halfvijf ’s morgens’, want dan hadden ze hun tanden nog niet gepoetst. Dit voorbeeld is ontleend aan het boekje Petjoh van Richard Cress uit 1998. Hij geeft nog zeker vijftien andere voorbeelden van steurtjestaal.

Pa van der Steur werd in februari 1944 door de Japanners geïnterneerd en raakte zo uitgeput dat hij kort na de bevrijding overleed. Zijn laatste woorden waren: „Niet mijn naam en persoon, maar mijn werk moet jullie indachtig blijven.”

In zekere zin is dat gelukt. Er bestaat nog altijd een Bond van Oud-Steurtjes en sinds kort heeft de Stichting Pa van der Steur een eigen Facebookpagina.