Radicalisering bestrijden op school: maak er geen welles/nietes van

In gesprek met moslimjongeren over Charlie Hebdo, 9/11 of IS kampen veel leraren met handelingsverlegenheid. Besef dat Nederlandse waarden niet vanzelfsprekend zijn. Weersta de verleiding om antiwesterse uitspraken te veroordelen, adviseren Hans Bellaart en Jamal Chrifi.

Een voorbeeld. Monique is docent maatschappijleer op een vmbo-school. In de klas vraagt zij wat de leerlingen vinden van de aanslagen in Parijs. Farida neemt het woord. Zij zegt dat er op internet wordt getwijfeld over wat er gebeurd is. Het klopt allemaal niet: de terrorist die op straat een politieagent doodschiet. Er is geen bloed te zien, geen terugslag op het wapen en het lichaam van de agent beweegt niet als er wordt geschoten.

„Het is opgezet om moslims in een slecht daglicht te stellen”, zegt een andere jongen in de klas. Monique had niet op deze reactie gerekend. „Maar deze agent is zelf moslim en vader. Het is toch onbetwist dat hij vermoord is”, zegt zij. Een andere leerlinge zegt dat we wel vaker voor de gek worden gehouden. Ook bij de aanslagen in Mumbai en bij de aanslagen van 11 september. Monique zegt: „Waarom zeggen jullie dit? Mag dit niet waar zijn, omdat er dan moslims negatief in het nieuws zijn?”

Daarna roepen leerlingen hard over en weer in het klaslokaal. Dat er alleen maar negatief over moslims wordt bericht. De discussie wordt chaotisch en dan is het lesuur alweer afgelopen.

Docent Monique zal zich voortaan waarschijnlijk bedenken voor ze weer haar vingers brandt aan zo’n netelig onderwerp. Handelingsverlegenheid heet dit in vaktermen. Het resultaat: de dialoog stopt. Want de professional raakt niet daadwerkelijk in gesprek met de jongeren. Over hun frustraties, hun gevoel van onrechtvaardigheid, over hun leefwereld, over het kritisch bekijken van nieuwsfeiten.

Blijf de dialoog aangaan is ons advies. Dat is ook het motto van het Radicalisation Awareness Network (RAN), een project van de Europese Commissie. Aan de vooravond van een overleg op 17 maart in Parijs tussen EU-ministers over radicalisering van moslimjongeren, bracht de RAN een onderwijsmanifest uit. De kern is dat docenten tegen de, op zich begrijpelijke, impuls moeten ingaan om uitspraken van jongeren te veroordelen.

Maar hoe doe je dit in de praktijk? Het is allereerst van belang dat iedere docent zich bewust is van waarin de belevingswereld van moslimjongeren kan verschillen van de eigen visie. De docent heeft vaak het idee dat hij of zij iedereen gelijkwaardig behandelt en objectief is. Nederlandse kernwaarden zijn vanzelfsprekend en zij willen deze overdragen aan jongeren. Jongeren ervaren echter geen respect voor hun godsdienst en cultuur en voelen zich vaak gediscrimineerd. ‘Wat je ook doet, je hoort er toch niet bij’.

Jongeren en docenten betichten elkaar van eenzijdig geïnformeerd te zijn en niet bereid om het vanuit een ander perspectief te zien. De docent meent dat nieuws in de landelijke media meestal correct en waardevrij is. De jongeren vinden het nieuws vaak eenzijdig westers, gemanipuleerd of zelfs verzonnen. Op Al Jazeera zien zij andere berichten. De docent denkt dat hij of zij de woorden zorgvuldig kiest. Bijvoorbeeld ‘moslimterroristen in Parijs’. Jongeren vinden de koppeling van religie met terroristen niet juist en reageren daar op. ,,Wie noemt ze moslims?” En: „De vrijheid van meningsuiting is belangrijk, maar wij mogen niet zeggen dat joodse terroristen in Gaza kinderen vermoorden.”

Docenten zeggen dat spotprenten moeten kunnen. En godslastering is niet langer strafbaar in Nederland. Veel moslimjongeren zien dat anders. Spotten met de islam of de profeet is zeer kwetsend en beledigend. Aantasting van de eer is ernstig. „Wilders zegt dat alle terroristen moslims zijn, dat doet pijn en dat mag hij allemaal zeggen van jullie.”

Het gevolg van dit alles: docenten worden voorzichtiger. „Ik begin er niet over, want ze reageren zo heftig. Ze noemen mij soms racist en dat doet pijn.”

Hoe blijf je toch in gesprek? Vier praktische tips.

Benoem dat het een lastig onderwerp is en dat je er daarom gezamenlijk goed naar moeten kijken. Zo zet je een goede, open sfeer neer voor discussie.

Als professional moet je vooral eerst begrip tonen, daarna pas confronteren. Het gedrag niet meteen afkeuren maar eerst luisteren naar het verhaal.

Stel vragen aan jongeren, zodat ze zich in de rol van de ander moeten inleven. ,,Verplaats je in de burgemeester, wat zou jij doen?’’ Of: hoe zou je vader reageren?

Spreek niet te snel over ‘radicalisering’. Ga het gesprek aan met de jongeren over religie en de zoektocht naar je identiteit.

Uiteraard moeten leerkrachten, en andere professionals die met jongeren werken, hierin ondersteuning krijgen. Het is van wezenlijk belang dat zij effectief moeten kunnen communiceren. Gebeurt dat niet, dan maken we de kloof tussen beroepskrachten en jongeren alleen maar groter. Daar wordt de wereld niet beter op.