Gloedvolle passies in Naarden en A’dam

Palmzondag: het Kampen Boys Choir en De Nederlandse Bachvereniging repeteren in de Grote Kerk te Naarden Foto Olivier middendorp

In het centrum van de Nederlandse Matthäus-cultus, de Grote Kerk van Naarden, leidde bas Stephan MacLeod gisteren op Palmzondag de jaarlijkse Matthäus Passion van de Nederlandse Bachvereniging, waarin hij bovendien zelf zong. En hoe. Zijn aria Mache dich, mein Herze, rein was een wonder van zeggingskracht, licht van toon, diep van klank, met een waaier aan nuances. Komm, süßes Kreuz gloeide niet minder, schitterend en vol overgave begeleid door gambiste Mieneke van der Velden. Maar de hoogtepunten waren legio – de verrukkelijke hobo-duo’s van koor 1, om wat te noemen, waren om te smelten.

Pragmaticus MacLeod – de bescheiden bezetting met twee keer acht zangers is simpelweg wat hij als zingende dirigent kan overzien – is een Naardense veteraan.

De rijpheid van zijn ideeën doordesemde de uitvoering op alle niveaus, van de retorische rusten, de komma’s in de koralen met het oog op de verstaanbaarheid, en een fijn afgestelde antenne voor dynamische subtiliteiten. De uitstekende Evangelist Topi Lehtipuu mocht verschillende keren dramatisch uitpakken, de solisten cast was uniform sterk, met sopraan Dorothee Mields en counter Alex Potter als uitschieters.

Zo’n vervoerende vertelkracht bereikten niet alle solisten in de Matthäus van Cappella Amsterdam en het Orkest van de Achttiende Eeuw. Koor en orkest werken in passietijd al geruime tijd samen, maar voerden nooit eerder déze passie uit – de betreurde chef Frans Brüggen had een voorkeur voor de Johannes. Tenor Rupert Charlesworth betoonde zich eenkraakheldere Evangelist en bariton Henk Neven was een stoïsche Christus. Invaller Marcel Beekman excelleerde in de tenoraria’s en bariton Mattijs van de Woerd zong een gloedvol Mache dich, mein Herze, rein.

Cappella-chef Daniel Reuss heeft een heldere visie op de partituur ontwikkeld, niet te gedragen en nadrukkelijk tekstgeoriënteerd. Met twee koren van twintig zangers trad Cappella aanzienlijker forser aan. De contrasten werkten goed en de complex ineengevlochten tweekorigheid kreeg meestal spits en zuiver vorm, al werkte de lange nagalm van de Kampener Bovenkerk transparantie niet in de hand.

Sigiswald Kuijken koos met zijn Petite Bande juist voor een zéér klein bezette Johannes Passion , met vier solisten en vier repiënisten. In de knusse kerk van het Belgische Leut klonk het doorwrocht, vooral in de heldere vocale ensembles overtuigend, maar in de aria’s soms wat flets. Bas Stefan Vock (Christus) zong goed en virtuoos, maar ontbeerde het vuur om een aria als Eilt, ihr angefochtnen Seelen op te tillen. Stephan Scherpe had een zware taak – als Evangelist zong hij ook de tenoraria’s én de koren – waarvan hij zich uitstekend kweet, al liet hij wat steken vallen. Met haar loepzuivere, wat dunne sopraan gooide Minna Nyberg de hoogste ogen.

Ook het Koninklijk Concertgebouworkest bracht dit jaar een Johannes, deels van achter het klavecimbel begeleid door oude muziek-specialist Richard Egarr.

Egarr, opgegroeid in de Britse koortraditie, dirigeerde een maximaal verzorgde Johannes met zeer veel vaart. In theorie had dat ten koste kunnen gaan van de emotionerende kracht, maar rijke detaillering en virtuoos orkestspel boden effectief tegenwicht. Zoals in het openingskoor, Herr, unser Herrscher, dat volmaakt getrapt van hard naar zacht werd uitgedund boven een onheilspellende puls.

Naast alt Ann Hallenberg en sopraan Carolyn Sampson – beiden het soort stralende en emotionerende droomsolisten waarnaar je in menig passie vergeefs verlangt - maakte bas Christopher Purves een hoogtepunt van het arioso Betrachte, meine Seel: intiem, zoet en schrijnend.

m.m.v. Mischa Spel