De komst van de trein, fiets, auto

De ijzeren eeuw: opbouw van het Centraal Station Utrecht in de 19de eeuw.

De lijst met 19de-eeuwse uitvindingen in een van eerste zalen van De IJzeren Eeuw, de tentoonstelling over de 19de eeuw in Nederland in het Amsterdam Museum, is imposant. De fiets staat erop, en ook de automobiel, fotografie, mitrailleur en andere dingen die de wereld hebben veranderd. De lijst had natuurlijk nog veel indrukwekkender kunnen zijn. Buitengewoon belangrijke 19de-eeuwse uitvindingen als de veiligheidslift van Elisha Otis en de bustehouder van Herminie Cadolle ontbreken bijvoorbeeld. Maar de boodschap van De IJzeren Eeuw, die naast de expositie ook een tv-serie en een boek omvat (zie inzet), is duidelijk genoeg: in de 19de eeuw werd ook in Nederland in hoog tempo de basis gelegd voor de wereld van nu.

Zo maakten steeds betere machines de massaproductie van allerlei gebruiksvoorwerpen mogelijk, zo is te zien in de zaal waar portretten van industriëlen, schilderijen van fabrieken en modellen van machines de industrialisering in beeld brengen.

En hoe ellendig en grauw het fabriekswerk ook was, getuige bijvoorbeeld het Het uitgaan van de fabriek van Bart van der Leck, de welvaart nam zodanig toe dat de massaconsumptie van al die fabriekswaren mogelijk werd. Ook de huisvesting van de arbeiders werd beter: verschillende fabrikanten lieten tuindorpen voor hun arbeiders bouwen.

Het bijzondere van De IJzeren Eeuw is dat de expositie niet alleen de verbijsterend snelle economische, sociale en religieuze veranderingen in Nederland laat zien, maar ook dat modernisering altijd twee kanten heeft. Dit wordt al meteen in de eerste zaal duidelijk. Hier is de rechtermuur, in de vorm van grote 19de-eeuwse foto’s van bruggen en spoorwegen, een ode aan de vooruitgang die de ijzeren eeuw bracht. Links hangen 19de-eeuwse schilderijen die helemaal niets laten zien van de nieuwe wereld of die, zoals een interieur van Hendrik Leys, juist getuigen van het gevoel dat het leven beter was in de goede, oude Gouden Eeuw.

Ook de emancipatie van de katholieken ging gepaard met nostalgie, zo blijkt in de zaal over de opkomende verzuiling van Nederland. De honderden katholieke kerken, die architecten als Pierre Cuypers en Carl Weber in de tweede helft van de ijzeren eeuw bouwden, waren tot ergernis van veel protestanten vaak neogotische kolossen die een groot verlangen uitdrukten naar de Middeleeuwen, toen alles en iedereen in de lage landen nog rooms-katholiek was.

Neostijlen als de neogotiek hebben de 19de eeuw lange tijd de reputatie gegeven van een stoffige eeuw. Maar, zo blijkt in het Amsterdam Museum, de IJzeren Eeuw was niet minder opwindend dan de Gouden.