Co-piloot Lubitz was bang voor afwijzing

Had de daad van Andreas Lubitz kunnen worden voorkomen? Suïcidale mensen lijden vaak aan bewustzijnsvernauwing. ‘Misschien zat hij opgelucht in de cockpit.’

Medewerkers van het Franse Rode Kruis en de politie bij het monument in Le Vernet ter nagedachtenis aan de slachtoffers van de crash van vlucht 4U9525. Foto Daniel Naupold/EPA

Ad Kerkhof sprak eens een man die van acht hoog was gesprongen en nog leefde. Nee, zei de man, hij had geen moment aan zijn vrouw en kinderen gedacht. Voor Kerkhof bewees het eens te meer dat mensen die zelfmoord willen plegen aan bewustzijnsvernauwing lijden. Ze kunnen alleen maar denken: dit moet ophouden. Dwangmatig.

Kerkhof is hoogleraar klinische psychologie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Suïcidepreventie is zijn belangrijkste onderwerp. Hij zegt dat mensen in zo’n toestand van hun daad kunnen worden weerhouden, áls iemand maar in de gaten heeft wat er aan de hand is en áls die tot hen kan doordringen.

En dat is dus het probleem, zeker bij jonge mannen. „Ze schamen zich voor hun depressieve of suïcidale gevoelens en zijn bang voor afwijzing. Ze gedragen zich stoer, laconiek. Ze verbergen zich achter een lach. We noemen het een smiling depression.” Maar als je ze op de man af vraagt of ze wel eens over zelfmoord fantaseren, of iets anders gewelddadigs, zijn ze meestal opgelucht dat ze erover kunnen vertellen.

Smekende gezagvoerder

Bij politiemensen en militairen, zegt Kerkhof, maar ook bij anesthesiologen en piloten, iedereen met een beroep waarbij je de (zelf)moordmiddelen binnen handbereik hebt, zou het normaal moeten zijn dat je ze regelmatig vraagt naar eventuele depressieve of suïcidale gevoelens. Die komen veel voor, in Nederland jaarlijks bij een half miljoen mensen. Een kwart van hen onderneemt een zelfmoordpoging, 1.850 keer lukt het. Psychologische tests werken niet, zegt Kerkhof. Die vragen moeten gesteld worden door getrainde mensen.

Had Andreas Lubitz van zijn daad kunnen worden weerhouden? De gezagvoerder smeekte hem tevergeefs de deur te openen. Kerkhof: „Hij lijkt vastbesloten te zijn geweest en had zich volkomen afgesloten. Hij hoefde niet te springen, hij hoefde alleen maar in zijn stoel te blijven zitten. Misschien was hij opgelucht. Het einde zat eraan te komen.”

René Diekstra, emeritus hoogleraar psychologie aan de Universiteit Leiden en ook gespecialiseerd in onderzoek naar suïcide, zegt dat behandelaars het vaak vermijden om met patiënten over suïcidale gevoelens te praten. „Zeker in Duitsland is dat niet de gewoonte.”

Net als Kerkhof zegt hij dat ernaar vragen de enige manier is om er vat op te krijgen. Maar ook naar haatgevoelens of fantasieën over de grootste agressieve daden wordt volgens Diekstra zelden geïnformeerd. Terwijl die kunnen samengaan met depressie en in principe gevaarlijker zijn.

Diekstra: „We zeggen wel dat depressie bevroren agressie is. Andreas Lubitz was mogelijk bang dat hij het niet zou redden als piloot, onder andere door zijn gezichtsproblemen. Hij had naar verluidt depressieve perioden doorgemaakt. Daardoor kan hij een sterke boosheid hebben ontwikkeld tegen de wereld en tegen zichzelf. Als je medicijnen slikt en je stemming verbetert, kan de agressieve kant juist meer tot uiting komen. Dan zie je zestien vrolijke gymnasiasten bij de gate staan en word je nog bozer. En als zich daarna een mooie gelegenheid voordoet, grijp je hem.”

Want zo is het volgens Diekstra ook: als de kans er niet was gekomen en Lubitz was de avond ervoor verliefd geworden op een leuk meisje, dan was het draadje misschien wel nooit geknapt. „Dat is de ondraaglijke lichtheid van het bestaan.”

Cultuur waarin je mag falen

Willem de Kleijnen is piloot en psycholoog, hij traint crews op samenwerking in de cockpit. Piloten doen dat soort trainingen elke drie jaar, verplicht. Hij zegt: „In de vliegerij trainen we tegenwoordig op een just culture, een moderne term voor een cultuur waarin je mag falen. Je mag dus fouten maken of zeggen dat je je niet goed voelt. Maar denk je dat vliegers dat doen?” Hij begint te lachen. „Je stuit op de harde werkelijkheid, waarin de commerciële en psychologische druk om níét te falen groot is. Zeker in de States en zeker bij de jongens en meisjes die niks verdienen en keihard moeten werken om hun leningen voor de opleiding terug te betalen.”

En dan nog wat: „De technologie wordt steeds belangrijker, en tijdens de opleiding heb je steeds minder persoonlijk contact met je instructeur. Je beleeft niet samen wat je fout doet, waardoor de instructeur een goed beeld van je krijgt. Niks hoor. De computer zegt dat je het niet goed doet, ga terug naar vraag 13.”

De mens met z’n gemoedstoestanden en z’n errors, zegt De Kleijnen, is wel de zwakste schakel in de cockpit en daarom ziet hij één oplossing: die mens moet eruit. „Niemand wil dat horen, maar daar gaan we naartoe. We gaan volledig geautomatiseerd vliegen.”

Diekstra vindt dat er een analyse van Lubitz’ psyche moet komen door middel van een forensisch-psychiatrische autopsie, met als vraag: waarom heeft deze man dit gedaan? In Nederland zijn zulke autopsies onder leiding van de forensisch psychiater Nils Duits uitgevoerd bij Karst T. (Koninginnedag 2009) en Tristan van der V. (Alphen aan den Rijn, 2011). Daarvoor gebeurde dat nooit bij moordenaars die zichzelf ook doodden, en nog steeds is het buiten Nederland geen gewoonte. Duits heeft eerder gezegd dat je door zulk onderzoek tot een betere verklaring kunt komen, en het helpt bij de verwerking. Het kan ook helpen bij de preventie.