Acda & De Munnik: gangmakers op hun eigen afscheidsfeest

Na al die jaren straks eindelijk zichzelf: Acda (rechts) en De Munnik (links) met Dave van Beek tijdens hun afscheidstournee als duo. Foto Bob Bronshoff

Dat is zo lekker van ermee ophouden: je hoeft niet meer bescheiden te doen, zegt Thomas Acda. Want eigenlijk waren Acda en De Munnik gewoon een van de beste bands in de Nederlandse popmuziek. Sterker: er kunnen nu méér hits níet gespeeld worden dan wél. Ja, dat zou je arrogant kunnen noemen, houdt hij met een bijdehante blik zijn publiek voor. „En wat ga je doen dan? Volgend jaar níet komen? Dát doen wij wel.”

Nog één keer waren zij Acda en De Munnik in een afscheidweekend in Theater Carré met vijf shows. Het was het slotakkoord voor Thomas Acda en Paul de Munnik als duo: twee jongens met een zachtmoedige uitstraling die harmonieus zingen op begeleiding van gitaar en piano, tussendoor grappige samenspraken hadden, kwinkslagen uitdeelden en zacht poëtisch mijmerden. Twintig jaar gaven ze kleinkunstshows en waren ze zangers/liedjesschrijvers in concerttournees en op acht studioalbums.

Het vrijdag in Carré als ridder in de orde van Oranje-Nassau onderscheiden duo was zijn afscheidstournee al in augustus begonnen in een afgeladen Vondelpark. Deze laatste in het theater werd een weinig sentimenteel maar vooral vertrouwd en eigenlijk niet verschrikkelijk meeslepend omkijken. Het was genoeg. „Afscheid kom in vele kleuren”, sprak De Munnik. „Afscheid is een kans om te zien hoe mooi het was.”

Opgeruimd gingen de twee met hun band oude hits af. De Munnik aan de piano, Acda op gitaar of mondharmonica. Met hun zang waren ze altijd schatplichtig aan de samenzang van The Everly Brothers. Maar ook de vergelijking met Simon & Garfunkel kwam regelmatig voorbij, al vonden ze dat zelf onterecht – Garfunkel klinkt immers heel ijl. De Munnik heeft een breed hoog reikend geluid, Acda waaiert ertussen, al dan niet met contramelodie.

De show was samengebracht in een nonchalant losjes raamwerk van een-tweetjes en wijdlopige monologen. Onbekende nieuwe liedjes voelden nu onnodig en vlak. Neil Youngs Out On The Weekend was een klein rood draadje, refererend aan de talloze voorstellingen die „ propvol muzikale geinigheden” hadden gezeten.

Het duo, dat elkaar van de Kleinkunstacademie in Amsterdam (1989) kende, brak door met het theaterprogramma Zwerf'On in 1995. In korte tijd dichtte Acda en de Munnik de kloof tussen theater en pop. Ondermeer dankzij de zinnen „Ik ben mezelf niet of al die jaren nooit geweest. Ik ben de gangmaker op het verkeerde feest” uit de tophit Niet of nooit geweest werden ze razend populair als popband.

Hun tekstgerichte spitsvondigheid viel op in de pop, maar het was hun samenzang die voorbeeld werd voor ander duo’s. Nog een aantal andere fraaie liedjes werd klassieker in de orde van de betere Nederlandse liedjes. Als het vuur gedoofd is is de blauwdruk voor hun repertoire. Het Regent Zonnestralen een logisch vervolg. Ren Lenny Ren is nog altijd een ‘hit’ bij begrafenissen.

Het leven is wat je overkomt, terwijl je druk bezig bent andere plannen te maken, is de passende sleutelzin in hun liedje over de dood van John Lennon (Laat me slapen). Het bluesy Voetstuk staan dat leunt op de opmerking dat „je ook nooit eens even rustig op een voetstuk kunt staan” was een recente piek uit de vorige tournee. Met de Jacques Brel-cover De Stad Amsterdam, een vurig crescendo zonder hun instrumenten, was de tijd gekomen. Acda: „Ik ben Thomas Acda en dit is Paul de Munnik.” Munnik: „En samen waren wij Acda & De Munnik.” Waarna Vondelpark Vannacht van hun allereerste album de broederlijke verstrengeling brak en nieuwe wegen inleidde.