Zelfmoord en het Stijlboek: hoe voorzichtig moet je zijn?

De co-piloot van de Airbus die het toestel te pletter liet slaan in de Alpen pleegde zelfmoord, meldde NRC Handelsblad gisteren – een gruwelijk feit, de verklaring van een ramp.

Maar dat woord, zelfmoord, ontbrak in een kort bericht eerder deze week in de krant, over de fatale botsing tussen een trein en een personenauto. NRC Handelsblad meldde dat een trein „op een auto botste bij een spoorwegovergang”. De site nrc.nl meldde wél dat het incident, „volgens de politie”, zelfmoord betrof.

Waarom dat verschil?

Het Stijlboek van de krant schrijft voor dat die „terughoudend” moet zijn met berichten over zelfmoord, met het oog op imitatiegedrag. Dat lemma kwam er nadat de krant in 2010, tot woede van lezers, op de voorpagina had uitgepakt met de zelfmoord van acteur Antonie Kamerling, portretfoto erbij.

Achteraf vroeg de chef van de site of het nu wel verstandig was geweest te vermelden dat het om zelfmoord ging. In dit geval lijkt mij dat wel, het bericht riep de vraag op hoe dit had kunnen gebeuren – net als bij de Airbus. De papieren krant was dus iets te terughoudend.

Wezenlijker lijkt me, net als bij Kamerling, de presentatie. Breng je zoiets groot of spectaculair, met het accent volledig op de zelfmoord en de details daarvan, dan kan het dubieus worden. Bij de Airbus is zo’n accent onontkoombaar, dat is groot nieuws, met een sterk publiek belang: de veiligheid in de lucht. In andere gevallen, van minder publiek belang, past terughoudendheid.

Daar is op de redactie wel discussie over. Sommige redacteuren vinden het Stijlboek veel te uitgebreid – zo bevat het ook adviezen voor preventie van suïcide. Maar heeft de krant hier wel een taak? Moet die dan ook terughoudend zijn met stukken over, bijvoorbeeld, jihadisten of andere gevaren die tot imitatie kunnen leiden? Voorstanders van het lemma brengen daar tegenin dat bij zelfmoord het copycat-effect bewezen is.

Dat effect is inderdaad geen mythe. In een stuk over ‘gezinsdrama’s’ wees Hendrik Spiering al eens op de invloed van „intense media-aandacht” (‘Kindermoord wijst op imitatie’, 7 februari 1997). Spiering, nu chef Wetenschap, vindt dat eigenlijk bij elk groter stuk over zelfmoord een hulplijn vermeld zou moeten staan (ook bij deze rubriek dus).

Zo’n verplichting zou mij te ver gaan, het bestaan van zulke hulplijnen is algemeen bekend. Waar de krant zeker scherp op moet zijn is, allereerst, de journalistieke noodzaak van een verhaal (zoals dat over de Airbus), en ten tweede de toon en presentatie ervan, in krant of online.

De kunstredactie hield onlangs, op het laatste moment, een stuk uit de krant over de Nederlandse occulte rocker Selim Lemouchi, die in 2014 op 33-jarige leeftijd een einde aan zijn leven maakte. De auteur, muziekjournalist Frank Provoost, had gesproken met diens moeder en zus, en citaten van hen door het artike geweven, dat op zijn sterfdag zou verschijnen. „De laatste dagen gaf hij echt licht”, zegt zijn zus. En zijn moeder, over zijn besluit tot zelfmoord: „Hij was zo opgelucht.” En na zijn dood: „Je zag aan hem: nu ben ik waar ik wezen wil.”

Chef Kunst Paul Steenhuis vond dit strijdig met de regels van de krant – die in de kern inhouden: niet romantiseren en niet onnodig details geven over de methode. Dat laatste was hier in mijn ogen ook niet gebeurd (de chef vond „een overdosis medicijnen” te ver gaan), het eerste wel. Het stuk verscheen later op de site van De Correspondent.

Maar: kort daarna publiceerde nrc.next een lang interview met de moeder van een vrouw die uit psychische nood zelfmoord had gepleegd (Ik mag haar laten gaan, 22 maart). Het staat vandaag in deze krant. Gedetailleerd vertelt zij over de levenslange nood van haar dochter, haar behandeling (de psychiater weigerde euthanasie) en haar dood, met hulp van via internet gekochte middelen (ook daar werden geen details over gegeven). Het stuk werd in nrc.next aangekondigd met de kop Mama, mag ik nu echt dood?

Kan dat dan wel door de beugel? Of doet de krant maar wat?

Ik vond de koppen bij dit stuk larmoyant, maar het stuk zelf aangrijpend en sober opgeschreven. Er is ook een relevant verschil met het muziekstuk. Aanleiding voor het stuk in nrc.next was de maatschappelijke en politieke discussie over de vraag of en wanneer euthanasie moet worden toegestaan bij psychisch lijden. Het stuk ging expliciet over dit probleem, aan de hand van een concrete casus. De conclusie was gemengd: de moeder was enerzijds opgelucht, maar bleef achter met haar verdriet.

Het verhaal over de occulte rocker, van wie de meeste lezers nog nooit zullen hebben gehoord, was tweeslachtig. Het was zowel een herdenking, een jaar na zijn dood, als een empathisch portret van de man en zijn muziek. Zo’n eerbewijs kan natuurlijk prima, maar de bewondering van naasten voor de man klonk, ook in mijn oren, te veel door in de lyrische passages over zijn dood. Over de patiënte in nrc.next komen vergelijkbare uitspraken voor van haar moeder, maar in dat stuk staan ze in de context van een maatschappelijke kwestie en een indringende medische casus.

Er is wel een bredere vraag. De omgang met de zelfgekozen dood, zeker als het euthanasie betreft, is in (vergrijzend) Nederland tegenwoordig veel opener dan vroeger, soms bijna op het enthousiaste af. Reportages over het levenseinde zijn een bloeiend journalistiek genre geworden. Die openheid kan mensen informeren, maar ook helpen of moed geven. De keerzijde is er ook; zoals in het stuk Hoe euthanasie een familie verscheurde, dat de krant in januari publiceerde.

Zeker bij stukken over zelfmoord blijft de waarschuwing tegen romantisering valide, vind ik. In zijn recente boek Lof der onvolmaaktheid wijst oud-Trouw-journalist Gerbert van Loenen er op dat reportages over de zelfgekozen dood vaak veel begrip tonen, maar weinig tegendraadse vragen stellen. Een aanstaande dode, of diens naasten, spreekt men niet tegen.

Maar waarom zou de journalistiek niet ook sceptisch blijven over de laatste keus die mensen kunnen maken?