Weer eens wat anders: advocaat wordt officier van justitie. Of andersom

Foto Mieke Meessen

Zo nu en dan komt het voor dat ze ineens tegenover elkaar staan in de rechtszaal: een officier van justitie en een advocaat die eerder nog collega’s van elkaar waren. Omdat de officier vroeger advocaat was, of de advocaat vroeger officier.

Wisselen ze dan een korte blik van herkenning? Een subtiele zwaai misschien? Dat laatste in ieder geval niet, zegt advocaat en voormalig officier van justitie Hendrik Jan Biemond. “Op zitting heb je een formele positie.” Daar hoort ook formeel gedrag bij, vindt hij. “Er wordt weinig gezwaaid.”

Biemond verruilde advocatenkantoor Allen & Overy in 2002 voor het openbaar ministerie (OM). Dat was toen heel bijzonder. Sinds 2007 werkt hij weer als advocaat bij zijn oude kantoor. Dat lijkt fundamenteel ander werk. Toch gebeurt het.

Waarom zouden mensen overstappen naar “de tegenpartij”?

Sommigen concluderen na jaren weken aan de ene kant dat ze toch meer aan de andere kant thuishoren. Zo miste officier van justitie Machteld Geertsema de “maatschappelijke relevantie” in haar werk als advocaat. Toen ze nog bij advocatenkantoor Houthoff Buruma werkte, stond ze vooral grote bouwbedrijven bij, vertelt Geertsema.

“Dan stond ik weer te procederen tegen een klein onderaannemertje en dacht ik: waar gaat dit over? Eigenlijk altijd over geld.”

Nu spoort Geertsema fraudeurs op bij het functioneel parket, een onderdeel van het OM speciaal gericht op financieel-economische criminaliteit. Ze was onder meer betrokken bij het onderzoek naar de Liborfraude bij de Rabobank. “Mensen die het al goed hebben die tóch geld gaan stelen. Die wil ik aanpakken”, zegt ze.

Maar niet alle overstappers zijn moreel gedreven. “Na twintig jaar bij hetzelfde kantoor wilde ik wel eens wat anders doen”, zegt Jaap de Keijzer die in 2009 overstapte. De Keijzer werd bestuurder bij de NMa. “Ineens zat ik aan de andere kant van de tafel, tegenover het bedrijfsleven.” Verrassend leuk, vond hij.

Maar, zegt hij: “De publieke sector heeft geen morele superioriteit over het bedrijfsleven.” De toezichthouder ging er trouwens vanuit dat De Keijzer – als vertegenwoordiger van het bedrijfsleven – een hoog salaris zou willen verdienen. “Onzin natuurlijk.” Hij heeft zich aangepast aan wat “gangbaar” is in de publieke sector.

Wat verwachten ze?

De grootste angst van advocaten die overstappen: kom ik tussen een stel typische ambtenaren terecht? “Ik dacht: ik ga naar een plek waar iedereen tussen negen en vijf braaf zijn werk doet, zonder daadwerkelijke ambitie”, zegt Hendrik Jan Biemond. Het bleek een onterechte zorg.

“Ik had niet gedacht er zo veel mensen met zo veel gedrevenheid zouden werken.”

Oud-advocaat Coen Drion, nu raadsheer in de Hoge Raad, was bang voor een “wereldvreemde” club, toen hij in 2010 overstapte naar de hoogste rechter. Ook hij moest zijn mening bijstellen. Drion merkte al snel dat raadsheren zich juist altijd afvragen: werkt dit wel in de praktijk? Een ander vooroordeel dat onterecht bleek: “Ik dacht dat het stijve mensen zouden zijn”, zegt Drion. Maar de raadsheren lachen vaak heel wat af.

Foto Mieke Meessen

Foto Mieke Meessen

Wat valt er tegen?

De luxe die ze bij advocatenkantoren gewend waren, zijn ze kwijt. “Als advocaat was ik verwend. Nu sta ik vaak zelf te kopiëren, schrijf ik mijn eigen brieven en moet ik af en toe naar mijn postvakje lopen”, zegt officier van justitie Machteld Geertsema. Niet altijd even efficiënt, vindt zij – maar zeker geen reden om weer terug de advocatuur in te willen.

Hebben ze voordeel boven collega’s?

Ervaring bij de tegenpartij is nuttig, zeggen overstappers. De nieuwkomer brengt ideeën mee waar een organisatie zelf misschien minder snel op komt. Zo verbaasde De Keijzer zich erover hoe weinig de NMa “naar buiten” ging.

“Je kunt in je werkkamer van alles bedenken, maar ga eens langs bij een bedrijf, ga kijken hoe het werkt.”

Ook kunnen overstappers naar eigen zeggen beter inschatten wat de tegenpartij gaat doen. “Als je ooit dezelfde pet op hebt gehad”, zegt officier van justitie Machteld Geertsema, “is het makkelijker om te bedenken wat waar een advocaat mee komt.” Ook belt ze makkelijk even met advocaten. “Collega’s hebben de neiging alles schriftelijk te doen.” Maar bellen is sneller.

“Zullen we er nog even kletsen, vraag ik dan. Dat kan bijvoorbeeld gaan over hoe we een zaak gaan afdoen.”

Maar het is natuurlijk niet de bedoeling dat de verschillende kampen ál te vriendschappelijk met elkaar omgaan. “Dat is valkuil nummer één”, zegt Jaap de Keijzer die inmiddels weer als advocaat werkt bij zijn oude kantoor, De Brauw. Een toezichthouder die te weinig afstand heeft van degenen waarop hij toezicht moet houden. Regulatory capture, in jargon.

In de Verenigde Staten is overstappen veel normaler. Het gevaar van juristen die makkelijk heen en weerhoppen is een ‘draaideurcultuur’. Maar in Nederland hoeven we daar niet bang voor te zijn, zegt De Keijzer. Daarvoor wordt nog veel te weinig overgestapt – iets dat van hem best meer zou mogen gebeuren.