Column

Stroomstoring

Georgina Verbaan

Omdat ik deze column schreef over de vliegramp en vliegangst, hoopte ik tussen de hartkloppingen door op Twitter te pauzeren met een poezenplaatje of een dansende lama. Even de zinnen verzetten. Maar het was nog beter: er was een stroomstoring. En laat het maar aan Twitter over om daar een heus event van te maken. Spannend. Ik keek om me heen. Had ik stroom? Ik hoorde mijn koelkast brommen en gaf hem een stomp. Hij ging over op een hoog gezoem. Ja dus. Jammer. Maar buiten was er van alles aan de hand. Gestrande reizigers, onoverzichtelijke verkeerssituaties, mensen in liften. Het zou niet lang duren of er zou geplunderd worden, rellen lagen in het verschiet. „Werk jij nou potdomme voor een krant of niet?” sprak ik mezelf toe. „Hup, de straat op! Nieuws verslaan.” Ik gaf mijn kat, die op de verwarming lag te garen, nog een laatste aai. „Daar ga ik dan”, sprak ik tot hem. Hij reageerde niet. „It’s a jungle out there.” Weer niks. Prima, die mag vanavond zelf het blikje openmaken. Buiten regende het. Verder niets opmerkelijks. Ik dook in mijn kraag, zoals het een onderzoeksjournalist betaamt. Even een paraplu kopen, standaard uitrusting voor veldwerk. In de natte winkelstraat liepen de mensen zoals altijd en draaiden de machines van de wasserette gemoedelijk vieze onderbroeken rond. Jammer. Bij de sigarenboer vond ik een zwarte paraplu met witte stippen. Ik informeerde professioneel naar de stroomstoring. Hadden ze niks van meegekregen, maar ze waren gisteren wel naar de musical Sonneveld geweest. „Hoe heet hij nou? Tonnie Neef?” Jammer. Op naar Amsterdam Centraal, alwaar duizenden reizigers gestrand lagen te creperen van de honger en de kou. Alle verkeerslichten deden het gewoon. Niks geen onoverzichtelijke verkeerssituaties. Jammer. Ja, ik werd bijna door een taxi geschept, maar ik word rondom CS altíjd bijna door een taxi geschept. Binnen in de stationshal krioelde het van de gele hesjes. Politie, handhavers, een ploeg van AT5. En reizigers natuurlijk. Maar er was overal stroom. Nu moest ik mensen iets gaan vragen, vond ik. Nu eens niet alleen afluisteren en stiekem observeren, maar investigative journalism, actie! Maar ik durf helemaal niet zomaar met mensen te praten. Ik liep de Hema in. Ik zou wat kopen en dan aan het kassameisje vragen hoe het was, die stroomstoring. Maar ik kon niets vinden wat ik wilde hebben. Terug de hal in. Daar hoorde ik muziek en ontdekte binnen een ring van zo’n driehonderd mensen met telefoons in de lucht een man achter een piano met een singer-songwriter muts op. Hij zong ‘It’s too late to apologize’. Mensen zongen mee. Ik durfde niet te vragen of hij daar altijd zat, met zijn muts, als protest tegen de NS, of dat het een gelegenheidszanger was. Dus ging ik maar naar huis, waar de kat bijna gaar was en minachtend naar me opkeek.