Opeens waren ze blut bij de Riagg

Hoe kon de rijke zorginstelling Riagg Rijnmond failliet gaan? Reconstructie van een debacle in de geestelijke gezondheidszorg.

Illustratie Pepijn Barnard

Een rijke zorginstelling met een bovengemiddelde vermogenspositie en voor de staf een prettig kantoorpand (bouwjaar 1901) tegenover de hoofdlocatie in Rotterdam.

Riagg Rijnmond heeft het als organisatie in de geestelijke gezondheidszorg goed voor elkaar. Wie een blik werpt op de laatst beschikbare jaarrekening ziet een instelling met een sterke balans. Fijn, in een branche waar veel bezuinigd wordt.

De toon van het bestuur in het laatste jaarverslag is niet alarmerend. Natuurlijk, er zijn wat tegenslagen hier en daar. Maar geen probleem, daar wordt aan gewerkt. Niets wijst erop dat dit verslag, dat 31 mei 2013 werd gepubliceerd, ook het laatste jaarverslag in de geschiedenis van Riagg Rijnmond zou zijn. Maar dat was het wel. Eind vorig jaar vroeg de organisatie haar eigen faillissement aan. Ze bezweek onder miljoenenverliezen.

Hoe kan een zorginstelling die hulp verleent aan zo’n 8.500 mensen met psychische problemen zo snel ten onder gaan? Hoe is het mogelijk dat een vrij overzichtelijke regionale zorgverlener, met 240 man personeel, een omzet van 23 miljoen euro en een winst van een half miljoen, in twee jaar eindigt met een verlies van 6 miljoen euro op een omzet van 19 miljoen?

Spraakmakend

Riagg Rijnmond was meer dan zomaar een zorginstelling uit de regio Rotterdam. Psycholoog Jos Lamé, een eigenzinnige en onconventionele bestuurder, gaf er ruim drie decennia leiding en haalde met enige regelmaat de media. Hij schuwde de confrontatie met de politiek niet en ontwikkelde zich tot criticaster van marktwerking in de zorg. Hij verzette zich tegen de fusiedrift onder collega’s. Hij bekritiseerde het elektronisch kinddossier omdat het megalomaan zou zijn en schijnveiligheid zou bieden.

Lamé kreeg ruzie met de gemeente Rotterdam over de plicht om als zorgverlener vermoedens van huiselijk geweld te melden bij de gemeente. Die plicht walste over de professionele vrijheid van hulpverleners heen om complexe situaties in te schatten – politieke kitsch, noemde hij het.

Riagg Rotterdam kreeg vooral landelijke bekendheid door het ‘Rif-project’ in 2003, waarbij de Riagg actief werd in Marokko. Daar installeerde het een zomerteam om ter plaatse psychische hulp te verlenen aan Nederlandse Marokkanen die op vakantie in geestelijke nood raakten.

Boekhouding rammelt

Die onconventionele aanpak blijkt Riagg Rijnmond echter ook voor de boekhouding te hebben gehanteerd. De instelling deed zich mooier voor dan zij was. De laatst bekende balans zag er zo stevig uit doordat de Riagg verschillende bedragen op voorhand tegen elkaar wegstreepte. Op die manier verdween permanent 5 miljoen euro aan voorschotten van de zorgverzekeraars uit de boeken, schat de curator. Anders gezegd: in 2012 werd de solvabiliteit de helft te hoog voorgesteld. Riagg Rijnmond was dus een stuk minder gezond dan werd getoond.

Uit onderzoek van deze krant blijkt dat er al jarenlang ernstige problemen waren bij de zorginstelling. De adviezen die de accountant de laatste jaren gaf, en waarover deze krant beschikt, wijzen op een falende organisatie.

Ernst & Young (sinds 2013 EY geheten) waarschuwt in 2011 dat er net als in 2010 geen langetermijnplanning is en dat de leiding geen inzicht heeft in de kostprijzen van en de marges op de geleverde zorg. Ook duurt het te lang voordat de rekeningen voor verleende behandelingen worden geïnd. Dat moet verbeteren. Krimp de organisatie in, is het dringende advies.

Maar wat Riagg Rijnmond op dat moment aan de buitenwereld rapporteert is een heel ander verhaal. Het jaarverslag staat bol van de kritiek op het zorgstelsel en de zorgverzekeraars. De Riagg promoot in zijn jaarverslag juist het boekje dat onder redactie van bestuursvoorzitter Jos Lamé is uitgegeven: Spookrijders in de zorg. Met ook een bijdrage van zijn echtgenote en van Mirko Noordegraaf, lid van de raad van toezicht van de Riagg. Bestuurder en toezichthouder ageren gezamenlijk tegen het in hun ogen doorgeschoten overheidsbeleid. Noordegraaf, die al snel daarna als voorzitter van de raad van toezicht wordt benoemd, publiceert wel vaker samen met Lamé.

De waarschuwingen van de accountant hebben kennelijk weinig indruk gemaakt want het jaar erop, in 2012, constateert de accountant dat veel adviezen niet zijn opgevolgd. Nog steeds ontbreekt inzicht in de kostprijzen. Er mist een meerjarenplanning als het gaat om liquiditeit en solvabiliteit. En er bestaat geen inventarisatie van de risico’s die de Riagg loopt. Ernst & Young komt met een early warning voor de financiën. De leiding belooft de accountant dat studenten van Hogeschool Rotterdam een praktijkopdracht zullen gaan doen om de risico’s in kaart te brengen.

En terwijl bestuurder Jos Lamé in het publieke debat strijdt voor het recht op privacy en tegen de oprukkende overheid, gaat Riagg intern slordig om met patiëntendossiers. De accountant zegt het zo: er is geen informatiebeveiligingsbeleid, waardoor het risico bestaat dat ongeautoriseerde personen toegang hebben tot de medische dossiers.

Halverwege 2013 gaat Jos Lamé met pensioen. Op dat moment voert de instelling al een heuse overlevingsstrijd. De verliezen lopen snel op. Er zijn veel (financiële) problemen. De Rabobank zegt het krediet aan de Riagg op. Dan zou je verwachten dat alle alarmbellen afgaan – een kredietlijn bij de bank is een onmisbare reddingsboei voor organisaties.

Maar Lamé zegt desgevraagd dat dit niet zo belangrijk was. Ja, er waren strubbelingen over dat krediet, maar dat het werd opgezegd kan hij zich niet precies herinneren, zegt hij in antwoord op vragen van deze krant. Ook Mirko Noordegraaf, jarenlang lid van de raad van toezicht (de laatste jaren als voorzitter) en hoogleraar publiek management, betwist of het opgezegde krediet een noodsignaal was. „Je moet dit breder trekken. Bij de veranderingen in de zorg heb je te maken met een herverkaveling van verantwoordelijkheden. Banken en verzekeraars zijn onderdeel van een groter spel.” Dat de bank de relatie opzegde, noemt Noordegraaf onderdeel van een bredere strijd. Verder weigert de voorzitter van de raad van toezicht commentaar omdat nu een curator is aangesteld. „Ik wil dat proces niet belasten”.

Arrogantie

Die curator heeft moeite zijn verbazing te verbergen over wat hij eind 2014 aantreft bij Riagg Rijnmond. Jeroen Princen signaleert in zijn eerste curatorenverslag dat er werd gewerkt volgens de „polyparadigmatische methode met Archipel-structuur”. Ofwel: „Iedereen mag het op zijn manier doen en staat los van de anderen”, schrijft de curator.

Riagg Rijnmond was tegenstander van marktwerking in de zorg, zoals wel meer instellingen in de sector. Maar de Riagg weigerde zich daarom zelfs aan de regels te onderwerpen. „In ons beleid gaan we ervan uit dat op termijn de marktwerking geen goed instrument is om de zorg te organiseren”, schrijft de zorginstelling in haar laatste jaarverslag. Zorgverzekeraar Achmea strafte de Riagg voor een gebrekkige administratie door minder in te kopen. Riagg sprak zelf van „boetes”.

„Er was een totaal gebrek aan verantwoording”, zegt bestuursvoorzitter Chris Oomen van DSW. Volgens de zorgverzekeraar in Schiedam speelde arrogantie van de macht een belangrijke rol bij de ondergang van Riagg Rijnmond, bijvoorbeeld bij de declaraties volgens de systematiek van dbc’s – de administratieve eenheden waarin medische behandelingen in de zorg worden opgedeeld. Oomen: „Jos Lamé dacht: dat idee met die declaraties via dbc’s waait wel over, wij doen nergens aan mee, iedereen ziet toch dat het een waardeloos systeem is?”

Lamé erkent desgevraagd dat de Riagg zo’n systeem niet enthousiast ging invoeren „want wij waren tegen die dbc’s”. Gevolg was dat er te weinig geld binnenkwam, omdat Riagg behandelingen niet goed registreerde en declareerde. Veel instellingen in de geestelijke gezondheidszorg hebben volgens DSW niet door hoeveel behandeltrajecten er „openstaan” en er dus nog geïnd moeten worden. „Maar dat bepaalt wel je cashflow”, zegt Bas Keijzer, ggz-specialist van DSW.

De zorgverzekeraar begrijpt niet waarom er geen beter toezicht werd gehouden. Oomen: „Ik heb hier nog nooit een lid van de raad van toezicht over de vloer gehad om bij ons eens te informeren wat onze ervaringen met het bestuur van Riagg Rijnmond waren. Zelfs niet toen de bank in 2013 het krediet opzegde.”

Wel ging de vergoeding voor de leden van de raad van toezicht in probleemjaar 2013 met 21 procent omhoog. Voor één lid werd zelfs ten onrechte geen belasting afgedragen, blijkt uit vertrouwelijke stukken waarover deze krant beschikt. Eén van de leden is in fictieve loondienst, maar Riagg draagt hierover geen loonheffing en premies af. Ex-voorzitter van de raad van toezicht Noordegraaf weigert commentaar.

Wanbeleid

Bij DSW zeggen ze dat Riagg Rijnmond al jaren niet goed draaide en dat zij dat wel in de gaten hadden. De cijfers tussen 2008 en 2012 waren volgens DSW geflatteerd omdat het gros van de inkomsten kwam uit complexe verrekeningen vanuit het oude budgetsysteem. „Lamé liet in 2013 iets achter wat helemaal niet toekomstbestendig was”, zegt Oomen. De gemiddelde kosten per werknemer lagen substantieel hoger dan die van branchegenoten en de productiviteit was juist lager.

Jos Lamé werpt dat verre van zich. Zijn Riagg was wél toekomstbestendig toen hij vertrok. Lamé legt alle schuld bij zijn opvolger, Tom Bank, die in zijn ogen wanbeleid voerde. „Mijnheer Bank noemde zich ‘CEO’ en ging allemaal geld uitgeven wat niet kon. Hij huurde ook vriendjes in. De raad van toezicht had moeten ingrijpen.” Bank ging niet in op verzoeken van deze krant om te reageren.

DSW zegt Tom Bank begin 2014 gewaarschuwd te hebben. Oomen: „Het geld ging met bakken de deur uit. Wij hebben gezegd: iedere maand dat je wacht met saneren kost een kwart miljoen extra. Een reorganisatie bleef uit, uit angst voor de vakbonden.”

Tom Bank ontsloeg veel leidinggevenden, maar dat leidde volgens direct betrokkenen tot chaos. Hij moest hierop tijdelijk personeel inhuren tegen soms wel 20.000 euro per maand. Toen de curator met de tijdelijk financieel leidinggevende wilde praten, weigerde die te komen omdat de curator zijn laatste maandvergoeding van 20.000 euro nog niet had betaald. Van 34 teamsecretaresses (op 240 man personeel) was ook al afscheid genomen, vaak via royale afvloeiingsregelingen. Tegelijk huurde Bank een interim-secretaris in voor 9.000 euro per maand.

De vraag is of alleen Bank zo royaal was of dat juist Lamé te duur en incompetent personeel aannam. Lamé verguisde de fusiedrift van andere organisaties in de ggz. Terwijl branchegenoten een omzet van 200 tot 300 miljoen euro bereikten, bleef de Riagg een factor tien kleiner. De beloning van Lamé was wel vergelijkbaar met die van bestuurders van de andere reuzen: gewoon twee ton vast.

De curator heeft inmiddels delen van de organisatie kunnen ‘doorstarten’ via twee andere ggz-instellingen.