Koester het herstel en laat de consument nu even met rust

De Nederlandse consument heeft er voorzichtig weer zin in. Twee jaar nadat premier Rutte de burger vergeefs aanspoorde het geld te laten rollen, lijkt er eindelijk genoeg optimisme over de economie te bestaan om tot daden over te gaan. Vorige week bleek al dat het consumentenvertrouwen voor het eerst in zeven jaar per saldo weer positief was. Gisteren meldde het Centraal Bureau voor de Statistiek dat de consumptieve bestedingen in januari met 1,8 procent stegen – de grootste toename sinds 2011. De economische groei voor het laatste kwartaal van vorig jaar werd bovendien flink naar boven bijgesteld. Er zit, kortom, vaart in de economie. Dat geldt ook voor de rest van de eurozone, waar bestedingen, investeringen en zelfs de bancaire kredietverlening – lang een zorgenkind – weer op gang komen. Zo lijkt Nederland een goede start te maken om de voorspelling waar te maken van het Centraal Planbureau, dat eerder deze maand voor 2015 een economische groei voorzag van 1,7 procent en volgend jaar 1,8 procent.

Dat moet gekoesterd worden, voor zover dat mogelijk is. Er zijn factoren waar nauwelijks invloed op mogelijk is. De voor Nederland zeer belangrijke groei van de wereldhandel bijvoorbeeld. Incidenteel is er de daling van de koers van de euro, die het exporterende bedrijfsleven wind in de zeilen geeft. En er is de sterk gedaalde prijs van ruwe olie, die werkt als een inkomensoverdracht van overwegend olie producerende naar vooral consumerende landen. Goedkope olie verlaagt de kosten van het bedrijfsleven en geeft ruimte voor meer bestedingen aan andere zaken. Het extreme geldbeleid van de Europese centrale Bank zorgt intussen voor recordlage rentevoeten en drijft de waarde van beleggingen op.

Dit zijn voor Nederland allemaal externe meevallers. En het is niet gezegd dat deze zo blijven. Als olie zo snel kan dalen, moet rekening worden gehouden met een even abrupte stijging. Dat geldt ook voor de euro. En dan zijn er de zorgen over het geldbeleid in Frankfurt, dat via kunstmatig opgekrikte beurskoersen of huizenprijzen tot een vals gevoel van welvaart kan leiden.

Die mogelijke tegenvallers doen zich nu niet voor en het is zaak van de omstandigheden gebruik te maken om het fundament van de economie zo stevig mogelijk te maken. Moet dat dan dus leiden tot een golf van nieuwe Haagse initiatieven? De burger is de afgelopen jaren geconfronteerd met een storm aan ombuigingen en hervormingen, van arbeidsmarkt tot pensioen, van decentralisering van de zorg tot de woning- en hypotheekmarkt.

De terugkeer van het vertrouwen bij de consument zal samenhangen met grootheden als de huizenprijzen, de beurskoersen of de licht aantrekkende werkgelegenheid. Maar hij valt ook samen met het idee dat all grote veranderingen voor even achter de rug zijn. Er is een grens aan wat de burger in korte tijd aan maatregelen en onzekerheid kan verteren in een wereldeconomie die toch al snel verandert.

Dat pleit allemaal niet zozeer voor inertie, maar wel voor een vorm van beleidsrust. De voorgenomen belastinghervorming is toe te juichen, zal in dit licht moeten worden bezien. Het herleven van het vertrouwen in de economie is een groot goed. Het begrotingstekort gaat de juiste kant op. De volgende stap is de groei van werkgelegenheid, die veel meer afhangt van ondernemers dan van daadkracht uit Den Haag. Waar het de economie betreft mag de staat nu wel even wat opschuiven richting de nachtwakersstand – een idee dat de liberalen in het kabinet-Rutte toch zou moeten aanspreken.