Kennis tegen humbug

Als geschiedenisleraar liet mijn broer elk jaar eersteklassers in een encyclopedie opzoeken wie Karel de Grote was. En dan zocht er altijd wel eentje in deel 8, ‘G-Haai’, onder ‘Grote’. Alsof Karel de achter-achterneef was van Alexander en de oudoom van Peter.

Niets is leuker dan geschiedenisvragen waar domme antwoorden op komen. Vooral als Bekende Nederlanders die domme antwoorden geven. Hoe lang zijn Kamerleden niet achtervolgd met het proefwerk dat het Historisch Nieuwsblad hun in 1996 voorlegde en waar ze gemiddeld een 4+ voor haalden? Daar kwamen antwoorden voorbij als ‘Dokkum’ (op de vraag: waar is Willem van Oranje vermoord? Voor de zekerheid, het juiste antwoord is: Delft), ‘kardinaal Alfrink’ (op de vraag: wie was de eerste bisschop van Nederland? Dat was Willibrord) en ‘het wassende water, 1953’ (op de vraag: welke vijandelijke mogendheden bedreigden de Republiek in het rampjaar? Antwoord: Frankrijk, Engeland en de bisdommen Keulen en Munster, in 1672).

Om te voorkomen dat je met je mond vol tanden staat wanneer zulke vragen worden gesteld, is een op zijn minst globale kennis van de geschiedenis aan te raden: Karel de Grote leefde rond 800 na Christus, Napoleon rond 1800. Die kennis is even nuttig als de tafels van vermenigvuldiging, weten in welk werelddeel Manila ligt of wat het verschil is tussen zoogdieren en reptielen.

De wereld zit bovendien vol met politieke wederverkopers die de geschiedenis naar hun hand proberen te zetten voor hun eigen doeleinden. De Servische leider Slobodan Milosevic verwees in 1989 naar de Slag op het Merelveld van zes eeuwen geleden om de christelijke Serviërs op te hitsen tegen de moslims in het voormalige Joegoslavië. Daarbij poetste hij alle verschillen weg tussen veertiende-eeuwse Turken en twintigste-eeuwse Bosniërs.

Het zou een illusie zijn om te verwachten dat historische kennis met succes kan worden ingezet tegen historische humbug. Daarvoor is geschiedenis te veel analyse en interpretatie.

Maar het blijft nuttig om de waarschijnlijkheden van de onwaarschijnlijkheden te kunnen scheiden. En dan moet je wel weten waar te beginnen.