Je bent een hertje

Elke week staat op deze plek een fictieverhaal. Deze week een fragment uit De geur van vrijheid van Giuseppe Catozzella, die het tragische waar gebeurde verhaal van atlete Samia Yusuf Omar vertelt.

Op de ochtend dat Ali en ik broer en zus werden, waren we aan het trainen voor de jaarlijkse hardloopwedstrijd door de wijken van Mogadishu. Die was over twee weken, en dat leek mij nog eindeloos ver weg. De dag van de wedstrijd was voor mij de belangrijkste van het jaar. Vrijdag was een feestdag en dan gold er ook een staakt-het-vuren, dus dan kon je rustig rondlopen, en door de straten van de stad rennen, door al dat wit.

Alles is wit, in Mogadishu.

De muren van de gebouwen, vol kogelgaten of half kapotgeslagen door granaten, zijn bijna allemaal wit, of grijs, okerkleurig of zachtgeel; in elk geval licht. Zelfs de armoedigste huisjes, zoals het onze, gemaakt van leem en takjes, worden binnen de kortste keren wit als het zand van de wegen dat neerdwarrelt op de gevels en op al het andere.

Als je door Mogadishu rent, stuift er achter je een wolk van fijn stof op. Ali en ik lieten twee witte pluimen opwaaien, die langzaam maar zeker oplosten aan de hemel. We renden altijd dezelfde route, die straten waren onze persoonlijke trainingsbaan geworden.

Wanneer we langs de theehuisjes kwamen, waar oude mannen zaten te kaarten of shaah te drinken, dwarrelde ons stof in hun glazen. Altijd. Dat deden we expres. Dan deden zij net of ze overeind kwamen om ons achterna te rennen, en dan versnelden wij en hadden we ze binnen een tel van ons afgeschud, waardoor we nog meer stof deden opwaaien. Het was een spelletje geworden, en zij moesten er ook wel een beetje om lachen. We moesten echter wel oppassen waar we onze voeten neerzetten, want ’s avonds werd het afval verbrand, en de volgende ochtend waren de wegen altijd bezaaid met de verkoolde restanten daarvan. Jerrycans van benzine, olieblikken, flarden van autobanden, bananenschillen, scherven van flessen, er lag van alles. Onder het rennen zagen we al vanuit de verte een heleboel smeulende hoopjes, een heleboel kleine vulkaantjes in uitbarsting.

Voordat we de smallere straatjes insloegen die naar de grote weg langs de zee voerden, kwamen we altijd door de Jidka Janaral Däuud, een brede laan met twee rijbanen, ook weer onverhard, met acacia’s erlangs aan allebei de kanten.

We vonden het leuk om onder het rennen het Monument voor de Gevallenen, het parlement, de nationale bibliotheek en het gerechtshof aan ons voorbij te zien schieten. Voor het gerechtshof stonden de straatventers: ze hadden gekleurde doeken op de grond uitgespreid en daarop hun handelswaar uitgestald, van tomaten en wortels tot ruitenwissers voor auto’s. Ze zaten onder de bomen langs de laan te dutten totdat er een klant kwam, en als wij voorbijrenden staarden ze ons aan alsof we van Mars kwamen. Ze plaagden ons.

‘Waar gaan jullie zo haastig naartoe, snotneuzen? Het is vandaag een feestdag, dan moet je feestvieren en rustig aan doen’, zeiden ze wanneer we langs hen heen renden.

‘Wij gaan naar jouw vrouw thuis, ouwe slaapkop!’ riep Ali terug. Soms gooiden ze een banaan naar ons, of een tomaat, of een appel.

Dan stopte Ali, raapte de vrucht op en schoot er weer vandoor.

De wedstrijd was echt een happening, voor mij was die dag zelfs nog belangrijker dan 1 juli, onze nationale feestdag, de dag dat we waren bevrijd van de Italiaanse kolonisten.

Zoals gewoonlijk wilde ik winnen, maar ik was pas acht, en het was een wedstrijd voor iedereen, ook voor volwassenen. Het jaar ervoor was ik achttiende geworden, en deze keer wilde ik bij de eerste vijf zijn die over de finish kwamen.

Mijn vader en moeder stonden ervan te kijken dat ik van kleins af aan al zo fanatiek was, en ze probeerden te begrijpen wat er in mijn hoofd omging.

‘Ga je deze keer ook weer winnen, Samia?’ grapte mijn vader, aabe Yusuf. Hij zat op een rieten stoel op het erf en trok me naar zich toe, woelde met die enorme handen van hem door mijn haar. Ik vond het leuk om hetzelfde bij hem te doen, om met mijn kleine, dunne vingertjes door zijn dikke, zwarte haardos te gaan, of om hem op zijn borst te timmeren, op zijn wit linnen overhemd. Hij pakte me met één hand vast, groot en stevig als hij was, tilde me zo de lucht in en zette me weer bij zich op schoot.

‘Ik heb nog nooit gewonnen, aabe, maar binnenkort gaat dat gebeuren.’

‘Je bent net een hertje, weet je dat? Je bent mijn favoriete hertje’, zei hij, en mijn knieën trilden toen ik zijn zware stem zo lief hoorde klinken.

‘Aabe, ik ben zo snel als een hertje, ik ben geen hertje …’

‘Vertel eens … hoe denk je te kunnen winnen van jongens die veel groter zijn dan jij?’

‘Door harder te rennen dan zij, aabe! Misschien nu nog niet, maar ooit zal ik de snelste van heel Mogadishu zijn.’

Hij barstte in lachen uit, en mijn moeder, hooyo Dahabo, moest ook heel hard lachen.

Maar meteen daarna werd aabe weemoedig, terwijl hij me stevig bleef vasthouden. ‘Ooit wel, zeker weten, kleine Samia. Ooit wel …’

‘Sommige dingen weet je gewoon, aabe. Ik weet al vanaf toen ik nog niet goed kon praten dat ik op een dag kampioen zal worden. Dat weet ik al twee jaar’, probeerde ik hem te overtuigen.

‘Jij boft maar, kleine Samia. Ik zou alleen wel willen weten wanneer er een eind komt aan die vervloekte oorlog.’

Toen zette hij me op de grond en ging hij weer somber voor zich uit zitten staren.