In elk gedicht zit een knik, een scheur, een kier

Tomas Tranströmer (1931-2015)

Dichter, Nobelprijswinnaar

Hij zocht de vervreemding, altijd weer liet hij zien hoe hij ergens net niet bij kon.

Foto EPA

„Dit waren de gedichten die ik zelf had moeten schrijven”, zei Bernlef over zijn eerste kennismaking met het werk van Tomas Tranströmer. „Dat was een deplorabele toestand, ik kon niet meer doen dan ze gaan vertalen.” Dat deed Bernlef trouw en een jaar voor zijn dood maakte hij nog mee dat zijn Zweedse vriend de Nobelprijs kreeg. Donderdagavond is Tranströmer (84) zelf overleden in een ziekenhuis in Stockholm.

De toekenning van de hoogste literaire eer aan de Zweedse dichter werd in 2011 onthaald als een triomf voor de pure poëzie. Zijn gedichten beginnen meestal doodeenvoudig, schreef Guus Middag bij die gelegenheid in deze krant. „Maar al gauw komt er een knik in. Er ontstaat (het is moeilijk om er de juiste woorden voor te vinden) een scheur, of een kier, tussen werkelijkheid en waarneming.” Om die opening, die vervreemding gaat het steeds bij Tranströmer, een dichter die altijd weer liet zien hoe hij ergens net niet bij kon, met regels als: ‘De stem van mijn vriend bevond zich/ aan de keerzijde van de minuten.’ Of in een strofe als:

En in de avond lig ik als een schip

met gedoofde lichten, op gepaste afstand

van de werkelijkheid, terwijl de bemanning

rondzwalkt in de parken, daar aan land.

Die thematiek, zeker in combinatie met de prominente aanwezigheid van de natuur in zijn werk, gaf de gedichten een religieuze connotatie, al werd Tranströmer zelf niet graag een christelijk dichter genoemd. „Ik ben op mijn eigen manier godsdienstig”, zei hij eens in een interview. „Met mijn gezicht naar het christendom gekeerd, buiten het hek van de kerk.”

Tranströmer werd ook door collega-Nobelprijswinnaars als Joseph Brodsky, Seamus Heaney en Derk Walcott beschouwd als een van de grote dichters van de twintigste eeuw. Hij leerde die andere grootheden kennen bij een lange reeks optredens op poëziefestivals, zoals het Rotterdamse Poetry International. Muziek heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in zijn werk, zoals in het gedicht ‘Allegro’, een van zijn bekendste. Tranströmer herkende zelf de invloed van zijn muziekliefde vooral in de compositie van zijn gedichten.

In het dagelijks leven was de op 15 april 1931 in Stockholm geboren Tranströmer werkzaam als psycholoog bij een Zweeds arbeidsbureau. In 1990 werd hij getroffen door een beroerte: sindsdien worstelde hij met zijn spraakvermogen en het gebruik van zijn rechterhand. Na zijn beroerte leerde Tranströmer zichzelf pianospelen met alleen zijn linkerhand. Ook bleef hij dichten, waarbij hij zich oefende in de haiku-vorm. Daarin kwam volgens Bernlef (wiens Tranströmer-vertalingen werden bijeengebracht in De herinneringen zien mij) de kern van het werk naar voren. Uit Tranströmers laatste bundel, Het grote raadsel (2004), vertaalde hij: ‘Het gras komt omhoog -/ zijn gezicht een runensteen/ staand als aandenken.’