Droomsters bestaan

Joyce Roodnat

Strategieën voor een herhaling van zetten. Sandro Veronesi. Cinderella. Cor Jaring.

Kalme chaos – titel van een geliefd boek van alweer tien jaar geleden. De laatste zin was meesterlijk („En geef me nu Lara [zijn overleden vrouw] even, alsjeblieft?”), en de roman leek afgehecht. Maar nu publiceert schrijver Sandro Veronesi een vervolg: Terre rare (de vertaling verschijnt op 1 mei).

Ik heb het niet zo op vervolgen. Is een verhaal klaar dan is het klaar. Populaire personages uitmelken leidt doorgaans tot meer van hetzelfde. Logisch. De schrijver mikte voor het oorspronkelijke boek immers al op de uiterste mogelijkheden van zijn materiaal.

Ik probeer Veronesi’s boek toch even. En geneer me voor mijn vooroordeel. Dit boek is hetzelfde maar compleet anders. Het overweldigt.

Weduwnaar Pietro Paladini, tien jaar geleden nog zo beheerst dat hij er van flauwviel, raakt dermate op drift dat hij pas op driekwart van dit boek gelegenheid vindt om zijn dochter te gaan zoeken – inmiddels achttien, woedend weggelopen en incommunicado. Via dezelfde existentiële vragen als in Kalme chaos (wie zijn we en waarom liegen we onszelf zo gretig voor) schiep Veronesi een radicale tegenhanger van dat boek. Niet kalm maar ADHD. En ja, veel personages zijn bekend, maar ze slaan allemaal een onverwachte richting in.

Wat te doen als een project het juist moet hebben van de herhaling van zetten? Wat als je begint aan Cinderella, een life action remake van de tekenfilm uit 1950 voor de Disney-studio’s?

Dan ben je een kamikazepiloot. Of Kenneth Branagh. Brits acteur (Wallander), veelzijdig filmer, Shakespeare-specialist. En fervent liefhebber van genres en vaste formules. Zo sprak hij het commentaar bij de quasi-documentaire serie Walking with Dinosaurs in, in de stijl van David Attenboroughs natuurfilms. „Diplodocus is húngry”, ik hoor het nóg. Precies goed, precies gek.

Tuk op waanzin en toch bloedserieus pakte Branagh de regie van Cinderella op. De valse stiefzusters zet hij neer als southern belles en de boze stiefmoeder is een wandelende modefoto uit de Vogue van 1950. Pompoen, koets, baljurk – allemaal over de top en dik in orde.

Maar Branagh ligt onder vuur. Zijn Assepoester is slank en verlegen en ze bijt niet van zich af. Feministische zedenmeesters uit alle windstreken maken routineus gehakt van haar. Nou ben ik ook feminist, daarom word ik hier des te giftiger van. Hoezo is een goedgebekt proactief grietje à la Frozen het enig mogelijke rolmodel? Soms kun je sprookjesheldinnen op die toer omvormen, maar Assepoester nou net niet. Wie daar niet aan wil, snapt niets van haar sprookje, en al helemaal niets van meisjes.

Droomsters bestaan. En die mogen dromen wat ze willen. Ook van een prins? Ja, zelfs van een prins. Trouwens: wee de jongens. Want die prins is (de hemel zij dank) een wandelend cliché, met brede kaken, een sneeuwwitte glimlach en een bult in zijn rijbroek.

Ik zal de zedenmeesters, feministisch, religieus of anderszins bevlogen, blijven tegenspreken, overal en zeker in de kunsten. Ze zijn destructief. Ze dwongen Hollywood het roken te beperken tot de losers en zelfs in arthousefilms wordt gevreeën met kleren aan. Zometeen mag er nog veel meer niet, voor je het weet mag Scarlett Johansson niet meer lachen.

In het Stadsarchief van Amsterdam wandel ik door de expositie van foto’s van Cor Jaring en beleef het heftige antiburgermansprotest uit de jaren zestig en zeventig. De vrouwen op de foto’s zijn bloot, of ze doen iets met mode.

Maar daar is er eentje die staat te demonstreren. Een schreeuwende jonge vrouw, in 1965. Naast haar zie ik een leus. Half leesbaar, iets met „typistes”. Moesten de typistes weg? Moesten ze juist wel? Linksom of rechtsom, deze activiste weet wat goed is. Pas op voor haar. Schud je het ene moeten af, dan moet je je aan het andere houden.

Cor Jaring was een haastige fotograaf. Zijn kaders zijn lomp, zijn benadering bot en zijn details zijn meer geluk dan wijsheid. Een eigen handschrift heeft hij niet. De foto’s van zijn kompaan Hans Wöhlken gingen decennia lang door voor die van hem, niemand die het verschil zag. Hola. Die daar, dat is een goeie. Ik kijk op het kaartje. Hij is van Ed van der Elsken.

Jaring hield geen afstand. Hij was overal bij, hij deed mee. En hij maakte foto’s. Die zijn niet zo heel goed. Maar dat geeft nou eens helemaal niet.