De jeugdwerkloosheid is veel hoger dan zij lijkt

De jeugdwerkloosheid valt mee in Nederland, maar schijn bedriegt, constateert Wiemer Salverda. Ruim driekwart van de werkende jongeren heeft een deeltijdbaan. Nederland is kampioen kruimelbanen.

Jongeren bevinden zich op de arbeidsmarkt in een deplorabele positie. Internationale vergelijkingen mogen de indruk wekken dat het gaat goed met werkende jongeren in Nederland, schijn bedriegt. In werkelijkheid staan zij er heel slecht voor.

De werkloosheid onder jongeren in Nederland zou 11 procent zijn, maar dat cijfer is zeer misleidend. Nederland is kampioen kruimelbanen. Meer dan een half miljoen jongeren werken minder dan twaalf uur per week; van hen werkt eenderde zelfs minder dan vier uur. Het gaat hier niet om serieuze banen, maar om bijverdienactiviteiten naast school en studie.

Ruim driekwart van alle 1,2 miljoen werkende jongeren heeft een deeltijdbaan. De internationale arbeidsstatistiek telt echter elke werkende en elke baan volledig mee, ongeacht het aantal uren dat er wordt gewerkt. Corrigeer je de cijfers voor deze versplintering, dan schiet de werkloosheid onder Nederlandse jongeren omhoog van 12 naar 37 procent en komen wij in Europa direct na de landen met de grootste problemen: Spanje, Griekenland, Italië, Ierland, Cyprus en Portugal.

Pas je diezelfde correctie toe op bijvoorbeeld Duitsland of Oostenrijk, dan komt het werkloosheidscijfer bijna onveranderd uit op 10 procent.

Kortom, het werk van veel Nederlandse jongeren is eerder een soort liefhebberij dan een serieuze start van een arbeidsmarktcarrière waarmee zij in hun levensonderhoud kunnen voorzien.

Slechts vijftien procent van alle Nederlandse jongeren tussen de 18 en 24 jaar is dan ook economisch zelfstandig – een schokkend laag en snel dalend cijfer. Door de financiële crisis van 2008 is hun aantal voltijdbanen in rap tempo gedaald. Is het zelfs gehalveerd voor jongeren die laagopgeleid zijn of er niet-westers uitzien.

De diepe recessie van de jaren tachtig staat vanwege de enorme werkloosheid in het collectieve geheugen gegrift, maar laten we ons niet vergissen: na zes jaar crisis zijn de vooruitzichten van jongeren op de arbeidsmarkt nu slechter dan toen.

Dan de lonen. Er is geen enkele reden om te denken dat jongeren zich door hun loonontwikkeling uit de markt geprijsd zouden hebben. De lonen van jongeren zijn sterk achtergebleven bij de loonontwikkeling van ouderen, en maken qua koopkracht al langdurig een pas op de plaats. Bijna nergens in Europa verdienen zij zo weinig, in verhouding tot ouderen. Dat is vooral te wijten aan de minimumjeugdlonen. Nergens hebben zij zo’n lange staart – in Nederland sleept deze bijna over de grond. Het volwassen minimumloon begint pas bij 23 jaar; een 18-jarige krijgt minder dan de helft.

Zo’n laag jeugdloon werkt verslavend voor werkgevers en vertraagt de productiviteitsontwikkeling. Het leidt ook tot oneigenlijke concurrentie met oudere, laagopgeleide werknemers.

In het regeringsbeleid bungelt de jeugdwerkloosheid er een beetje bij. De zorg voor de jeugdwerkloosheid is uitbesteed aan een ‘ambassadeur’, die geen geld heeft en het vooral van haar enthousiasme moet hebben.

Het beleid lijkt er helemaal niet op gericht om werk voor jongeren te creëren. Integendeel, de gedaalde werkgelegenheid voor jongeren weerspiegelt juist het beleid van bezuiniging en herstructurering dat sinds 2011 verder is opgevoerd. In plaats van werk gokt de politiek erop dat jongeren wel in het onderwijs zullen blijven: let them eat education.

De helft van alle jeugdwerklozen hangt rond op scholen en universiteiten, op zoek naar een baan. Maar onderwijs is geen dagbesteding voor werklozen. En voor wie niet verder kán leren, is meer onderwijs al helemaal geen oplossing. Voor die groep – de ‘echte’ werkende jongeren, die willen en moeten werken om in hun levensonderhoud te voorzien – zijn de problemen dan ook een paar maten groter dan voor de andere jongeren.

En ze worden nog groter als er nog meer schoolgangers met kruimelbaantjes komen, bijvoorbeeld doordat de studiefinanciering verder wordt teruggeschroefd en je als studerende er wel bij moet werken. Het probleem is zo ernstig voor de jongeren en bedreigt onze maatschappij in zo’n mate, dat het de hoogste tijd is er iets aan te doen. Er moeten meer substantiële banen komen voor jongeren en hun koopkracht moet omhoog.

Dat werkende jongeren zich beginnen te roeren, en aandacht vragen voor hun problemen, is een bemoedigend signaal. Hun eisen zijn terecht. Ze wijzen bovendien de goede richting op als het gaat om verbeteringen en oplossingen. De politiek is dringend aan zet.