Veel geld voor avondje matig Chinees eten

Foto Rien Zilvold

Uit betrouwbare bron vernam ik dat het goed eten zou zijn bij Sea Palace; zó goed, dat horecamensen er buiten diensttijd vaak een hapje eten. Het kitscherige paleis in het water voor het Centraal Station wordt ook ‘de drijfChinees’ genoemd, het is een identieke kopie van een gebouw in Thailand. Het ligt er meer dan dertig jaar, maar het uiterlijk en de afmeting (drie verdiepingen, 650 zitplaatsen) hadden mij ervan weerhouden om aan te schuiven. Onterecht, het zou één van de weinige plekken in de stad zijn waar je op stand authentiek Chinees kon eten.

Sea Palace heeft twee kaarten: à la carte en de dimsumkaart. Die laatste wordt alleen tijdens de lunch gevoerd. We kiezen van de andere kaart waarop veel Kantonese gerechten staan, een handjevol dimsums, maar ook gerechten uit Sichuan, Chinese fondue en de specialiteiten kreeft en Pekingeend. De fondues en menu’s gaan allemaal per twee personen en vallen dus af, omdat we zoveel mogelijk willen proeven. Bij wijze van voorgerecht nemen we dimsums, twee soorten gestoomde (met varkensvlees en met garnaal, 8,- en 8,50), gevulde krabscharen (15,-) en wintermeloensoep met garnalen (15,-). Om met die laatste te beginnen: we proeven weinig meloen, die overigens wel structuur aan de soep geeft, een soep die verder wordt overheerst door de smaak van garnalen. Beetje laffe smaak ook en de garnalen zijn ongepeld, de darmkanaaltjes zitten er nog in – niet fijn. De dimsums zijn lekker, vooral die met varkensvlees met een sausje van azijn en gember. De gevulde krabscharen vallen tegen: de paneerlaag is te dik en het geheel is behoorlijk vet, we laten ze halverwege staan. Vet is sowieso een woord dat bijblijft, want werkelijk alles wat op tafel komt smaakt vet, ook de hoofdgerechten. Dat is traditionele Pekingeend, een halve met sojasaus (22,50) en krokant gebakken buikspek (17,-), ook met sojasaus. De Pekingeend – je kunt ’m ook in z’n geheel met pannenkoekjes bestellen – heeft wel een lekker velletje, maar is van binnen niet mals en smaakt naar lever, en dat is niet de bedoeling. Het buikspek lijkt op hoe oma vroeger speklapjes op tafel zette en is bremzout. We hebben witte rijst en nasi besteld, maar die laatste is zo vet dat we het laten staan. We vragen nog gauw om wat groenten, dat zit er allemaal niet bij, Chinese broccoli die gestoofd is in bouillon en royaal voorzien van knoflook. Het smaakt goed, maar later zien we 20 euro terug op de rekening: kassa! Ook vragen we om een andere specialiteit: abalone, ook wel diepzee-oesters of zee-oren genaamd, met Chinese champignons en groenten in een saus van de chef. Eén bord met tien van die oesters heeft een dagprijs van 150 euro, we vragen of we er één mogen proeven: dat mag, en da’s dan 30 euro. Maar goed, het is een delicatesse, en – blijkt bij nadere bestudering – ook nog een zeldzame schelp die erg voorzichtig open moet worden gemaakt, omdat de stofdeeltjes die vrijkomen giftig zijn. We vinden het heerlijk, de oester is stevig, smaakt een beetje leverachtig wat hier wél prettig is, en de saus is mooi op smaak.

Ten slotte gaan we aan de toetjes, alhoewel desserts in de Chinese keuken geen usance zijn. We nemen twee bolletjes huisgemaakt ijs (lotus en gember, 6,-) en East Meets West (9,50), appeltaart met het beroemde Chinese vijf kruidenpoeder (steranijs, kruidnagel, kaneel, venkel en szechuanpeper). Best lekker, maar na secuur proeven ontdekken we vooral kaneel.

De bediening is vriendelijk en vraagt steeds of het smaakt, maar ziet ongetwijfeld dat we veel hebben besteld maar weinig hebben gegeten. En zelfs als we die delicate abalone achterwege hadden gelaten, zouden we met z’n tweeën nog steeds 150 euro neertellen. Veel geld voor een avondje matig Chinees eten.