‘Na voetballers krijgen wetenschappers het vaakst een tijdelijke aanstelling’

Dat zei filosoof en flexdocent Martijntje Smits in Trouw

illustratie martien ter veen

De aanleiding

Het Maagdenhuisprotest wordt inmiddels net zozeer gedragen door docenten als door studenten. Een van hun klachten luidt dat het aandeel flexwerkers in de universiteit te hoog is. Veel wetenschappers zitten jarenlang op tijdelijke contracten en dat komt hun werk(lust) niet ten goede, aldus de docenten. Filosoof en flexdocent Martijntje Smits schreef er vorig weekend een artikel over in Trouw. Als je promovendi meetelt, is maar liefst 60 procent van de wetenschappelijke medewerkers in tijdelijke dienst, schreef ze. „Op profvoetballers na is er geen beroepsgroep met zoveel tijdelijke aanstellingen als wetenschappers.” Dat gaan we checken.

Waar is het op gebaseerd?

Dat 60 procent van de wetenschappers in tijdelijke dienst is, blijkt uit een onderzoek van de Vakbond voor de wetenschap (VAWO), zegt Smits. En wat betreft die uitspraak over wetenschappers als bijna-flexkampioenen: „Dat is onze eigen conclusie, aangezien profvoetballers vrijwel altijd een tijdelijke aanstelling lijken te hebben, zo nemen we dus aan, en wetenschappers aan de universiteit met meer dan 60 procent het hoogste scoren van alle andere beroepsgroepen, hoger nog dan de horeca (57 procent) in 2013.” Dat laatste percentage haalde ze uit onderzoek van TNO naar flexwerken uit 2013.

En, klopt het?

Eerst die 60 procent. De VAWO schreef in het bewuste onderzoek uit 2013 dat 40,7 procent van de wetenschappers in tijdelijke dienst is. In het onderzoek zijn promovendi (die altijd een tijdelijk contract hebben) buiten beschouwing gelaten, maar wanneer ze worden meegeteld blijkt 60 procent van de wetenschappers in tijdelijke dienst te zijn, schreef de VAWO.

Dat profvoetballers vrijwel altijd een tijdelijke aanstelling hebben klopt: ze tekenen voor een bepaalde periode bij een club. Daarom vallen ze ook buiten de Flexwet, die een limiet stelt aan het aantal tijdelijke contracten. De topsportsector is vanwege het transfersysteem niet te vergelijken met andere sectoren, zei minister Asscher in 2013.

Maar hoe zit het met de andere beroepsgroepen? Smits verwijst naar het onderzoek van TNO uit 2013, waarin voor negen sectoren werd berekend hoe groot het aandeel flexwerkers was. Inderdaad scoorde de horeca daar het hoogst met 57 procent.

Het problematische aan dit onderzoek is dat het sectoren onderzocht, geen beroepsgroepen. Je kunt een beroep als wetenschappelijk medewerker niet vergelijken met ‘de horeca’, omdat er daarbinnen verschillende beroepen bestaan.

Gelukkig zijn er over de verhouding vast-flex in specifieke beroepen ook cijfers. We kijken hiervoor naar een CBS-tabel met de cijfers over alle werkende Nederlanders in maart 2015. Hieruit blijkt dat in sommige beroepsgroepen nog veel meer flexwerkers voorkomen: van de taalkundigen en auteurs is 83 procent flexwerker, van de beeldend kunstenaars maar liefst 94 procent.

Maar dat is een beetje flauw, want schrijver en beeldend kunstenaar zijn autonome beroepen waarin nu eenmaal bijna iedereen werkt als zzp’er. Voor een goede vergelijking zou je zzp’ers niet moeten meetellen. In de tabel is te zien hoeveel van de mensen in elke beroepsgroep werknemer zijn en dus daadwerkelijk in dienst. Deze werknemers zijn weer uitgesplitst in vaste en flexibele werknemers.

Als je op deze manier de zzp’ers weglaat, blijkt dat alleen ‘kelners en barpersoneel’ boven de 60 procent uitkomen: 66 procent is daar flexwerker. Hierna volgen de kassamedewerkers (57 procent) en laders, lossers en vakkenvullers (55 procent).

Conclusie

Als we flexwerkers ruim definiëren als iedereen zonder een vast contract, zijn er wel meer sectoren dan het professionele voetbal met meer flexwerkers dan de wetenschap: schrijvers en kunstenaars zijn bijna allemaal niet in vaste dienst. Maar dan vallen er ook zzp’ers onder, en Martijntje Smits had het over mensen met een ‘tijdelijke aanstelling’: werknemers dus. Als we kijken naar het percentage flexwerkers onder mensen in dienstverband, blijkt dat alleen kelners en barpersoneel hoger scoren dan wetenschappers. We beoordelen de stelling daarom als grotendeels waar.