Met alleen blote vrouwen gaan we het niet redden

De koning van de seksblaadjes heeft het zwaar. Hoe gaat Foxy-oprichter Peter J. Muller overleven? „Truckers hebben ook internet in hun cabine.”

De Foxy-stand op de Kamasutrabeurs. Foto Niels Blekemolen

Hij heeft ze weleens op de koffie gehad hoor, van die „opgewonden types die heel snel denken”. Of hij niet wilde meewerken aan een site met vrouwen die voor de webcam gingen. Maar hij kan het niet. Foxy-oprichter Peter J. Muller is een bladenman. „Dat is nu eenmaal iets bijzonders. Vind ik wel. Dat het van de pers komt, en dat je het dan vasthoudt… ik vind dat een heerlijk moment.”

Hij pakt een exemplaar van zijn blad en haalt het langs zijn neus. „Soms kan ik het drukprocedé ruiken.”

De Foxy bestaat sinds 2001. Het blad, met fotoshoots van amateur- en professionele modellen en artikelen als ‘de erotiektrends van 2015’ of ‘tien bizarre sexrecords’, kende hoogtijdagen aan het einde van het vorige decennium, maar loopt nu op z’n laatste benen. De oplage daalde van 80.000 vijf jaar geleden naar 25.000 nu, waarvan ongeveer de helft verkocht wordt. Adverteerders lopen weg of betalen veel minder dan vijf jaar geleden. Er is een goede kans dat Foxy er volgend jaar niet meer is.

Muller begon begin deze eeuw zijn oudedagsvoorziening zeker te stellen. Hij had geen rooie cent meer nadat zijn vorige blad, Internet Hotspots, ter ziele was gegaan. Muller kreeg angstaanvallen, werd soms ’s nachts badend in het zweet wakker. Hoe ging hij zijn pensioen betalen? Hij wist het toen een vriend hem een exemplaar van de toen net opgerichte Passie liet zien. „Ik dacht: dat moet ik ook gaan doen.”

Zo begon zijn carrière als bladenmaker lang geleden ook. Na het oprichten van jongerentijdschrift Hitweek kon Muller eind jaren zestig bij AD aan de slag, maar juist in die dagen ontdekte hij dat er veel geld te verdienen was met pornoblaadjes. Hij had een partij Amerikaanse magazines opgekocht en met flinke winst doorverkocht. Toen Chick, het eerste pornoblaadje van Nederland, vervolgens verscheen, dacht Muller: dat kan ik ook. Hij startte Candy, eerst nog als illegale uitgave. Het ‘Chick-arrest’ bepaalde in 1970 dat pornografie voortaan legaal was in Nederland.

De Candy werd een enorm succes. Op het hoogtepunt verkocht Muller zijn gehele oplage van 120.000 exemplaren. Hij werd miljonair en wist van gekkigheid niet meer wat hij met z’n geld moest doen. Halverwege de jaren zeventig kwam de terugval: zijn vrouw kwam erachter dat hij meerdere minnaressen had en verliet hem. Muller stortte in. Hij stootte de Candy af en begon, toen hij weer een beetje op zijn benen kon staan, met de Weekend. Er volgden nog zo’n twintig bladen waar hij bij betrokken was, totdat hij uiteindelijk met Foxy aan zijn laatste kunstje begon.

Inmiddels zijn er ruim 150 Foxy’s verschenen. Het blad wordt gemaakt door een klein team; iedereen werkt vanuit huis en communiceert via e-mail. Muller heeft onder meer een hoofdredacteur, twee vrouwelijke redacteuren die de ‘themaverhalen’ schrijven en een vormgever. Hij verzint zelf alle koppen, intro’s en fotobijschriften, en hij maakt graag wat hij noemt de ‘nieuwsverhalen’. Hij pakt de laatst verschenen editie erbij en begint te bladeren totdat hij een pagina tegenkomt met ‘tien koosjere pornosterren’. „Kijk, dit doe ik dan zelf.” Hij begint voor te lezen. „Als een terrorist nou z’n kalasjnikov aan de muur hangt om naar een geile pornofilm te kijken, dan komt de wereldvrede een stukje dichterbij.” Een harde lach. „Dan ga ik lekker het internet afstruinen. Dat is heel makkelijk. Tik in: top ten jewish pornstars”. Hij haalt zijn vinger van boven naar onder over het beeldscherm. „Prrrrrrrrr.”

Dat het blad nog steeds bestaat en geld oplevert, al is het niet veel, daar ziet hij twee redenen voor. Ten eerste de dvd die sinds het begin bij de helft van de oplage zit. Foxy was een tijdlang een van de bestverkochte bladen bij benzinestations, en de neergang in oplage zette – waarschijnlijk daarom – ook later in dan bij bijvoorbeeld Playboy en Penthouse. Inmiddels is dat voordeel grotendeels weg, zegt hij: „Die truckers hebben ook internet in hun cabine.”

Maar het belangrijkst voor het blad zijn de ‘beursbabes’. Op de Kamasutrabeurs, die eens in het half jaar plaatsvindt, heeft Foxy een vaste stand waar bezoekers zich kunnen laten fotograferen voor in het blad.

Toen Muller dat idee kreeg in 2002 dacht hij nog dat niemand het zou doen (hij huurde zelfs een goochelaar in om de ongetwijfeld leeg blijvende studio op te vullen), maar al snel boden meisjes en vrouwen zich aan. Inmiddels zijn er zo’n drieduizend gratis voor het blad op de foto geweest. Van elke editie van de Foxy wordt bijna de helft van de tachtig pagina’s gevuld met foto’s die op de beurs genomen zijn. Muller bladert ernaartoe en probeert te verklaren waarom het zo’n succes werd. Hij wijst er een aan. Een blonde dertiger, verlegen lachend, bijna verontschuldigend, met haar armen naast haar lichaam. „Ik denk dat veel van die vrouwen een kleurloos leven leiden waarin weinig leuks gebeurt. Dan is dit het moment dat ze even kunnen schitteren.”

Een aantrekkelijke vrouw wordt tegenwoordig ook door lezers als verdacht gezien, zegt Muller. „Zo van: ja, dat weten we nu wel, alle vrouwen in seksbladen zijn aantrekkelijk.”

Elke editie zijn er vier fotografen die drie dagen lang vrijwel onafgebroken aan het werk zijn. Bij de organisatie van de Kamasutrabeurs dwong Muller af dat de Foxy als enige blad zo’n stand mocht hebben. Hij mocht er zelfs gratis staan. „Wij werden een belangrijke publiekstrekker. Zij zagen dat in. Sindsdien zijn die foto’s de pijler onder het blad geworden. Het is volstrekt uniek in de hele wereld.”

Na een korte pauze: „Dus ik snap niet dat we er zo weinig van verkopen.”

Waterbestendige Foxy’s

Af en toe vraagt het ministerie van Defensie Muller wat Foxy’s op te sturen naar uitgezonden militairen. Afgelopen najaar nog, voor de missie in Mali. Op een van de Kamasutrabeurzen kwam er een militair op hem af die op die manier in Uruzgan wat Foxy’s onder ogen had gekregen. Hij had een idee: het blaadje waterbestendig maken. Dan konden de militairen ermee onder de douche. Daarom, dacht hij, zou een waterbestendige Foxy een uitkomst zijn. Muller vond het een sympathiek idee en liet zelfs een aantal prototypes maken, maar het werd toch te duur.

De anekdote zegt veel over waar Muller mee bezig wil zijn: papier, en wat daarmee mogelijk is. Maar dat de markt waar hij zijn leven aan spendeerde in grote problemen is, dat negeert hij niet. De Foxy moet daarom meer zijn dan een seksblaadje, vindt hij. Hij spiegelt zich graag aan Larry Flint, die een succes maakte van Hustler. „Dat wordt net zoveel gekocht door quasi-intellectuelen en mediamensen als door de mannetjes.” Graag zou hij de Flint van de polder zijn. Humor wil hij, tongue in cheek. Een andere kijk op porno. „Op die manier hoop ik het blad erdoor te halen. Met alleen blote vrouwen en geile verhalen redden we het niet.”

Maar of het de oplossing is? Een uur later is hij al minder stellig. „Ik weet het niet. Op de beurs praat ik veel met lezers. Dan vraag ik: wat vind je nou leuk aan dat blad? Dan ben je zelf bezig met de humor, die unieke beursbabes. En dan wil ik dat horen, hè. Maar dan zit je tegenover zo’n echtpaar uit Zwolle, trouwe Foxy-lezers. ‘Wij kopen het vooral voor de Rooie Oortjes’. Oh, en voor de rest? ‘Ja, leuk krantje’.” Hij lacht.

De Foxy moest het laatste kunstje worden van Peter J. Muller. Zijn oudedagsvoorziening. Dat is gelukt. Hij heeft te eten, zijn kat Poekie ook, en hij kan met zijn kleinkinderen naar Japan als hij wil. „Nu is het mijn taak om Foxy rustig naar de uitgang te begeleiden.”

Hij wordt wat melancholisch als hij zegt: „Als bladenmaker ben je een artiest. Je treedt op. De gordijnen gaan open, en dan moet je je programma presenteren. Mijn programma is dit.” Hij bladert door de Foxy die bij hem op schoot ligt. „Je wil dat je veel lezers hebt, je wil voor een volle bak spelen. Sommige mensen nemen er genoeg mee dat de eerste twee rijen vol zitten, maar zo ben ik niet.” Toch zit de zaal dus niet meer vol, en dat gaat ook niet meer gebeuren. „Daar moet ik me bij neerleggen.”

Verder dan een half jaar – één beurs – kan hij niet meer vooruitkijken. Aan het team van de stand geeft hij elke keer een „peptalk”, omdat ze zo meeleven. „Ik heb tegen ze gezegd dat we door een moeilijke tijd gaan, maar dat we er in september weer zijn, op diezelfde plek.” Maar wat daarna gebeurt, weet hij niet.

Zelfs september kan al lastig worden. Hij pakt een grote papieren kalender van zijn bureau. Alle verstreken dagen hebben een groot rood kruis. „September. Hoeveel nummers moeten we dan nog?” Hij telt. Een, twee, drie, vier, vijf, zes. „Zes Foxy’s. Dat is bepalend. Als ik dat red… dat zou leuk zijn.”