Koen

Bram kreeg de hamburger, de gorgonzolapasta werd door de ober voor mijn neus neergezet. Ik snapte dat heus. Bram en ik tikten onze biertjes tegen elkaar en ruilden van bord.

Even later kwam de ober terug om nieuwe drankjes te brengen. We dronken wat sneller dan normaal, aangezien er straks in de Arena alleen maar alcoholvrij bier zou worden geschonken. „Ga je naar de wedstrijd zo?”, vroeg de ober aan Bram, die zijn Ajaxsjaal vrij prominent om had. „Zeker”, antwoordde Bram, kauwend op zijn pasta. „Hoe ga je?”, vroeg de ober. „Gewoon op de fiets”, antwoordde Bram. „En ik dus ook”, vond ik het ineens nodig te zeggen. Ik was vrij trots op dat fietsen namelijk, we zaten nu in een café in Amsterdam West. „O ja?”, zei de ober verbaasd. „Eerste keer?” „Ja, normaal ga ik met de metro, moet ik bekennen”, antwoordde ik. „Nee, ik bedoel eerste keer dat je naar Ajax gaat?”

Nou zeg. Toegegeven, de laatste keer was een jaar geleden en vooruit, de een-na-laatste keer misschien zelfs wel vijf jaar, maar negentien jaar geleden had mijn vader een seizoenskaart en ging ik heel vaak mee als een van zijn vrienden niet kon. Ik kende toen alle spelers van naam en wist precies hun posities en statistieken. Alleen al door dat verleden vond ik dat ik nog recht had om te teren op een status van minstens halfvolle Ajaxfan. En ik vond op de een of andere manier ook dat niemand daaraan mocht twijfelen. Waarom was hij zo verbaasd? Kwam het door iets in mijn uiterlijk? Mijn accent? Of gewoon doordat ik van het andere geslacht was? En trouwens, deze ober, die absurd veel weg had van onze kersverse minister van Justitie, had ik ook niet direct aangezien voor iemand die vol overgave ‘Bloed, zweet en tranen’ mee brult in een van de sfeervakken. Mij hoor je daar niet over. De charme van de Arena is juist dat er zoveel verschillende Amsterdammers komen. Maar deze ober wilde harde bewijzen:

„Waar is je sjaal dan?” vroeg hij.

„Mijn hart is rood-wit”, antwoordde ik. „Ik heb geen sjaal nodig.” Ik focuste me intens op mijn hamburger om niet in lachen uit te barsten. Bram verslikte zich in zijn biertje.

‘Yeah, right”, zei de ober. En daar had hij een punt. „Zing het clublied dan eens?” „Ja hoor eens, dat ga ik nu toch niet doen?” Ik was nu echt geïrriteerd. Moest ik straks soms Dnjepr Dnjepropetrovsk foutloos uitspreken om te bewijzen dat ik recht had om vanavond bij de wedstrijd te zijn? „Het is iets met ‘fier en koen’.” Bram, vermaard pokerspeler, noemde dit later de beste bluf die hij ooit van me gezien had. Ik had werkelijk geen idee hoe het clublied ging. Nooit geweten, nooit echt verstaan ook. Alleen dat ‘fier en koen’ was me bijgebleven omdat ‘koen’ een tof woord is.

„Veel plezier vanavond.” De ober gaf me een ferme hand alsof hij me feliciteerde en overhandigde mij, bij wijze van prijs, de rekening. Winnen maar toch verliezen, dat werd die avond een terugkerend thema.