‘Ik begrijp wel dat dit boek op de juiste knoppen drukt’

Door De Wereld Draait Door werd het ineens een bestseller: Sander Kollaards roman over de laatste reis van een man met zijn stervende vrouw. ‘Het gaat over de liefde, maar ik weet niet of het een ode is.’

Sander Kollaard: ‘Mijn hoofdpersonen houden echt van elkaar, ik wilde me laten meeslepen’ Foto Roger Cremers

Het begon met een camper, zegt Sander Kollaard. „Ik kijk al jaren gefascineerd naar mensen in campers als ik ze tegenkom op vakantie. Het is een merkwaardig fenomeen: de suggestie van avontuur, terwijl het natuurlijk helemaal geen avontuur is. Met zo’n keukentje waarin alles precies past: de klaptafel, de thermoskan, het zitten onder het luifeltje. Ze doen zo vreselijk hun best met dat kleine extreem geordende wereldje in een grote wereld die toch eigenlijk een enorme rotzooi is. Het heeft iets ontroerends. Daar kun je wel cynisch over doen of er cabaret van maken, maar mij raakt het altijd.”

Inderdaad wordt er in het begin van Stadium IV een camper gekocht door hoofdpersoon Barend Vervoort, een gepensioneerde politieagent. Ter voorbereiding van deze aanschaf verzamelt hij zeventien ordners vol documentatiemateriaal. Maar het is waarschijnlijk niet de fenomenologie van de campergebruiker die ervoor zorgde dat de eerste roman van Kollaard in februari werd uitgeroepen tot Boek van de Maand in De Wereld Draait Door, waarmee het prompt een van de best verkochte titels van de afgelopen boekenweek werd.

De aangrijpende roman is in de eerste plaats een verhaal over sterven. Het sterven van Sarie, de vrouw van Barend. Bij haar wordt uitgezaaide longkanker vastgesteld: het stadium IV uit de titel. ‘Er is geen stadium V’, constateert Sarie zelf en ze neemt een opmerkelijk besluit: na één chemokuur beslist ze dat het welletjes is. Ze wil geen verdere levensverlengende behandelingen meer. In plaats daarvan wil ze met Barend (in die camper) naar het Zweedse eiland Öland, de plaats waar ze in 1968 tijdens een sociaal-democratisch zomerkamp verliefd op elkaar werden. Dáár wil ze gelukkig sterven.

Haar man probeert dat te regelen. Kollaard: „Ik zie Barend als een klassieke sociaal-democraat, het type man dat denkt dat je problemen oplost door dingen goed te organiseren. Zelfs kanker, tot op zekere hoogte. Dat is zijn primaire reactie. Hij leest al het voorlichtingsmateriaal, praat met de artsen, verdiept zich in de werking van pijnstilling.” Kollaard gaf ook de legendarische Zweedse premier Olof Palme een bijrol in de roman.

De schrijver (1961) studeerde geschiedenis en woont al jaren in Zweden, van waaruit hij werkt voor een Nederlandse medische uitgeverij, die teksten voor websites en folders maakt. Uit dergelijke folders, die Barend verslindt, wordt regelmatig geciteerd in Stadium IV. „Ik lees veel non-fictie”, zegt Kollaard. „Ik heb grote bewondering voor goede zakelijke teksten, waarin mensen zo precies mogelijk uit proberen te leggen hoe een bepaald stukje van de wereld in elkaar zit.”

Uw boek volgt de aftakeling van de vrouw gedetailleerd. Meestal worden romans over kanker geschreven door mensen die de ziekte van nabij hebben meegemaakt.

„Een aantal jaren geleden is mijn beste vriend aan kanker gestorven. Ik heb zijn ziektegeschiedenis gebruikt voor het boek – maar met een andere afloop. Maar het beginidee was vooral dat ik iets met mensen in een camper wilde doen. En verder is Öland een van de bronnen. Dat is een prachtig eiland met een heel bijzondere geologie en vegetatie. Wij zijn daar een keer of vier, vijf op vakantie geweest en ik ben daar heel gelukkig geweest.”

Het boek gaat behalve over ziekte ook over geluk. Er zit in de winkel nu een sticker op met een citaat uit De Wereld Draait Door: ‘Ode aan de liefde.’

„Dat heb ik niet bedacht,” zegt Kollaard snel. En dan, aarzelend: „Tot op zekere hoogte is het dat wel… Nee, het is geen ode. Het gaat wel over de liefde, maar… Ja. Toch wel. Die twee mensen, Barend en Sarie, houden echt van elkaar en daar wilde ik me ook door laten meeslepen. Als je nadenkt over het einde van de roman is het de vraag hoe liefdevol dat slot nu eigenlijk is. Sarie wil naar de plek waar ze ooit gelukkig waren om gelukkig te sterven. Barend laat haar gelukkig sterven, maar hij gaat met haar wens aan de haal. Hij zet de gebeurtenissen naar zijn hand.”

Hij probeert te ordenen wat er nog te ordenen valt.

„Die neiging heeft hij nu eenmaal. Hij is groot en sterk, een politieman met een hang naar orde: het type man dat niet tegen hippies of anarchisten kan. Zijn gedrag is een combinatie van liefde en sluimerende agressie. Je voelt dat hij kan ontploffen.

„Uiteindelijk sterft Sarie gelukkig, maar haar moment van geluk duurt misschien niet meer dan twee seconden. De uren daarvoor die ik beschrijf, zijn helemaal niet gelukkig. Ze gaat van woede naar verdriet, frustratie, pijn en wegzakken in de pillenbrij. Dus het is wel een boek over de liefde, maar niet over een liefde die alleen maar mooi en prachtig is.”

Vindt u zelf dat uw roman goed afloopt?

„Ik was wel opgelucht dat Sarie stierf, bij een langer leven was het steeds ellendiger geworden. Zo beschouwd loopt het goed af, naar omstandigheden. Ik kan geen betere varianten bedenken.”

Het heeft iets van een idylle. Geen ziekenhuisbed, maar terugreizen naar de plaats waar je echt gelukkig was.

„Een idylle? Natuurlijk niet! Wat er gebeurt in een relatie als zo’n diagnose valt, is dat de afgrond opengaat. De een staat aan de ene kant, de ander aan de andere kant en die afstand is niet meer te overbruggen. Dat proberen Barend en Sarie ook wel, maar het is onmogelijk. Öland is misschien een idyllische omgeving, maar wat er gebeurt is een ramp. Een doodgewone ramp, maar desalniettemin een ramp.”

Als je leest hoe Sarie uit de mallemolen van de medische behandelingen stapt, ben je geneigd te zeggen: die keuze zou ik ook willen durven maken.

„Ik begrijp dat het voelt als een aanmoediging: ze is een dappere vrouw. Dat heeft te maken met de moeite die wij hebben met het levenseinde. Daar gaan we heel verkrampt mee om, wat je ziet tot in de regelgeving over euthanasie. Ons hele leven hebben we zelfbeschikkingsrecht. We mogen kinderen maken, trouwen, noem maar op. Alleen bij het levenseinde mag het ineens niet meer en moet je je overgeven aan de medische stand. Veel mensen voelen aan dat dat gek is en dan heeft het iets bevrijdends als Sarie zegt: ik sterf op mijn eigen voorwaarden. Maar ja, doet ze dat uiteindelijk ook?

„We weten ons echt geen raad met onze dood. Dat geldt voor mij ook. Je denkt: ik spring van het dak voordat de ellende begint. Maar in de praktijk zal ik dat natuurlijk niet doen. Er is altijd nog wel iets om naar uit te zien. Je hebt kinderen, misschien komt morgen nog een kleinkind langs. Het is of je een fuik in zwemt. Heel benauwend, maar ik zie geen eenvoudige, moedige, heroïsche oplossing. Het blijft aanmodderen.”

Het boek is geen statement?

„Zo is het niet geschreven. Maar achteraf begrijp ik dat dit een boek is dat op allerlei goede knoppen drukt – bijna iedereen heeft affiniteit met het onderwerp, heeft wel iets vergelijkbaars meegemaakt of kan zich er iets bij voorstellen.”

Vandaar ook het succes bij De Wereld Draait Door?

„Ik zag dat helemaal niet aankomen. Het grote voordeel is dat de reacties nu sneller op gang komen. Dat was drie jaar geleden bij mijn debuut, de verhalenbundel Onmiddellijke terugkeer van uw geliefde, wel anders. Toen duurde en duurde het maar. Dat was een vreemde ervaring: je stapt naakt het podium op en staat daar in het volle licht te wachten – maar niemand zegt iets.”

Uiteindelijk kreeg u er de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs voor. Wanneer begon u met schrijven?

„Al heel lang geleden. Ik vond laatst nog een afwijzingsbriefje van K.L. Poll en die is al in 1990 overleden. Ik ben het met ernst gaan doen toen ik naar Zweden verhuisde. Ik was verliefd geworden op een Zweedse vrouw en vormde ineens een gezin met ons kind en de twee kinderen die zij al had. Dat was een soort cultuurshock. Toen ben ik naar een niche in dat gezinsleven gaan zoeken – iets om te af te schermen – en ben ik met ernst en focus gaan schrijven.”

Werkt u al aan een volgend boek?

„Meteen na mijn debuut ben ik aan een roman begonnen die faliekant mislukt is. Misschien dat ik daar nu opnieuw mee aan de gang ga. Maar ik vind het ook wel fijn om even een beetje te dobberen, te kijken wat er op me af komt. Daarna is het weer een kinderachtig geluk om in een boek verzeild te raken. Ik ben nog steeds niet helemaal gewend aan mijn eigen schrijverschap. Schrijvers boezemen mij een enorm ontzag in.”

Wie zijn uw helden?

Achter elkaar somt Kollaard op: „Nescio, Gerard Reve, Kousbroek, Van der Heijden, Flaubert, Toergenjev, Veronesi, Virginia Woolf sinds kort, Malamud, John Irving. En Updike natuurlijk. Vorige zomer heb ik heel veel Kundera gelezen, daar was ik erg van onder de indruk. Hij vindt dat schrijvers verwarring moeten stichten. Daar kan ik me helemaal in vinden: de boel een beetje in de war schoppen – dat is het allerhoogste. We moeten de wereld wat minder op een camper laten lijken.”