Geneuzel is ook voor de zieken

‘Er is een leven na de dood, maar niet van degene die sterft,’ is een van vele aforismen van René Gude die school heeft gemaakt. Gude ging monter de dood tegemoet, met de aansprekende boodschap dat het leven de moeite waard is, maar ook een bewerkelijke aangelegenheid. Hij hield er een beetje dezelfde moraal als Youp van ’t Hek op na, die in elke show uitlegt dat je iedere dag moet leven alsof het de laatste is. Alleen waar Van ’t Hek ons lijkt aan te moedigen te gaan liften naar Parijs en een verzoenend gesprek te voeren met een dementerende oom, blijft Gude dichter bij de alledaagse werkelijkheid. Vooral natuurlijk omdat het zijn alledaagse werkelijkheid was, de laatste vier jaar van zijn leven. Het is beter die met optimistisch gemoed te aanvaarden; als je op je sterfbed denkt dat het allemaal anders had gemoeten, ben je niet goed bezig.

Twee boeken waarin hij gesprekken voerde met journalisten belandden deze week op de bestsellerlijst. Dat is niet omdat vanavond de Maand van de Filosofie start, maar omdat hij twee weken geleden overleed. In Sterven is doodeenvoudig (op 6) en Stand-up filosoof (op 14) praat hij met respectievelijk Wim Brands en Wilma de Rek. In beide boeken heeft hij prettige boodschappen. Hij zegt niet bang te zijn voor de dood en probeert zich te verzoenen met de noodzakelijke onthechting van de ongeneeslijke zieke. Dat laatste is een paradoxale onderneming voor iemand die een filosofische verantwoording voor een zonnig humeur probeert te geven: nu accepteren dat het wel eens mooi is geweest. Bijvoorbeeld door te beseffen dat het leven wel doorgaat. Dat alles uiteindelijk voor elk mens mislukt, maar dat de mensheid als geheel toch aardig wat heeft bereikt. Dat is geen voor de hand liggende boodschap, maar je moet hem wel aannemen van iemand die met zijn laatste dagen bezig is en wiens woorden dus meer gewicht in de schaal leggen. Het idee dat, ook al ben je stervende, je je gewoon bezig blijft houden met alledaagsheden is dan bemoedigend. Gude: ‘Wie te horen krijgt dat hij doodgaat, zou zijn leven schoon moeten vegen van pietluttigheden, zou je denken. Dat geneuzel is voor de levenden. De stervenden hoeven zich daar niet meer druk om te maken. Maar het interessante is dat er dan geen leven overblijft.’