Gendefect veroorzaakt gat in griepafweer

De ernst van de griep hangt niet alleen af van de virusstam maar soms ook van het DNA van de patiënt.

Waarom krijgt de één een zware griep door hetzelfde virus waarvan een ander nauwelijks iets merkt? De verklaring kan schuilen in de genetica van de patiënt. Dat schrijft een groep internationale genetici onder leiding van Jean-Laurent Casanova van Rockefeller University in New York vandaag in Science.

De onderzoekers identificeerden één genetische afwijking in het DNA van een zevenjarig Frans meisje, die vermoedelijk verantwoordelijk is geweest voor de bijna dodelijke griepaanval die zij als peuter doormaakte. Een defect gen had een gat in haar afweersysteem veroorzaakt. Normaal gesproken moet dat afweersysteem binnendringende virussen aanpakken.

In januari 2011 (ze was toen 2,5 jaar oud) belandde het meisje in het ziekenhuis als gevolg van een ernstige infectie met het H1N1-virus. H1N1 was de ziekteverwekker die de hoofdrol speelde in de epidemie die bekend werd als de Mexicaanse griep. Het meisje had zulke ernstige ademhalingsproblemen gekregen dat ze aan de beademing moest worden gelegd. Bijna drie weken lag ze in het ziekenhuis. Het scheelde weinig of ze had het niet gered.

Haar artsen hebben lang gezocht naar een antwoord op de vraag waardoor de griep bij haar zo ernstig uitpakte. Meestal wordt een ernstig beloop van een griepinfectie gezien bij mensen die de griep bovenop een andere aandoening krijgen, bijvoorbeeld iets aan de longen. Maar dit meisje was verder kerngezond.

Intensief genetisch onderzoek waarbij het DNA van het meisje letter voor letter met dat van haar ouders werd vergeleken, wees uiteindelijk in de richting van een gen met de naam IRF7. Dit gen bevat de code voor een signaal dat de aanmaak regelt van zogeheten interferonen, eiwitten waarvan bekend is dat ze een belangrijke rol spelen in de afweer.

Het bijzondere was dat het meisje van haar beide ouders een uiterst zeldzame kapotte kopie van het IRF7-gen geërfd had, met ieder een andere mutatie erin. De ouders hadden naast hun kapotte kopie nog een normaal functionerend IRF7, maar hun dochter kon met twee defecte kopieën geen goede afweerreactie tegen het virus opbouwen.

In celkweken die vervolgens werden gedaan, bleken bloed- en huidcellen van de dochter inderdaad geen interferonen te produceren in reactie op een virusinfectie, terwijl dat bij de cellen van haar ouders wel gebeurde. De onderzoekers konden in het laboratorium ook aantonen dat de longcellen van het meisje bijzonder gevoelig waren voor binnendringend virus. Dat kan verklaren dat ze zulke ademhalingsproblemen kreeg.

Om het meisje verder te beschermen tegen nieuwe griepinfecties kreeg ze vanaf 2011 jaarlijks een seizoensgriepprik. Verrassend was, noteren de onderzoekers, dat ze ondanks het ontbreken van IRF7 wel antistoffen opbouwde tegen de griepstammen in het vaccin. Het laat zien dat de eerste fase van afweer tegen een nieuwe infectie volgens een ander mechanisme verloopt dan immunisatie. Het meisje is in ieder geval tot nu toe griepvrij gebleven.

De onderzoekers hopen nu via het spoor van IRF7 ook aanwijzingen te vinden voor verschillen in de gevoeligheid voor griep bij andere mensen. En mogelijk kunnen interferonen helpen de ernst van de griep bij doodzieke patiënten in te dammen, denken ze.