Column

Gekweld acteur

De tv-documentaire De dingen die voorbijgaan van Michiel van Erp, afgelopen maandag bij de IKON, ging over de vergankelijkheid van acteursroem. Van Erp was gevraagd een documentaire over de acteur Carol van Herwijnen (1941 – 2008) te maken, maar hij verbreedde het onderwerp door de ervaringen van nog levende acteurs erbij te betrekken.

Dat leverde een interessante documentaire op, maar het nadeel was dat de kijker over Van Herwijnen zelf weinig te weten kwam. Een gemiste kans, wist ik toevallig, omdat ik Van Herwijnen in 1986 uitvoerig geïnterviewd had voor Vrij Nederland. Uit de documentaire komt hij tevoorschijn als een moeilijke, zich miskend voelende, driftige man die het zelfs bestond een toneelcriticus te lijf te gaan. Dat beeld klopt, maar onduidelijk blijft door welke demonen hij gekweld werd.

Wat mij meteen aan hem opviel, was zijn spraakgebrek. Hij stotterde. Op toneel kon hij dat verbergen, omdat hij alleen ingestudeerde teksten hoefde uit te spreken. In het gewone leven was het een hinderlijke handicap, zij het een bijzaak vergeleken met zijn andere kwellingen.

„Wat ik de eerste 21 jaar van mijn leven te verwerken kreeg, was niet te verstouwen”, vertelde hij mij. „Ik heb zo ontzettend veel binnen moeten houden. Ik had eigenlijk psychiatrische hulp moeten hebben, maar dat kwam er niet van.”

Hij was kind van een dominante moeder, dochter van de schilder Jan van Herwijnen, en een immer afwezige vader, met wie hij amper contact had. Toen hij een schooljongen van vijftien was, kreeg hij een verhouding met een twintig jaar oudere man, criticus van een weekblad. Ze werden verraden en de zedenpolitie haalde Carol op van school (de Kees Boekeschool in Bilthoven). Hij werd naar het bureau overgebracht en bikkelhard ondervraagd. „Het hele verhoor draaide maar om één vraag: heeft hij je pik aangeraakt? Er werden me dingen gevraagd waar ik nog nooit van gehoord had.”

Zijn oudere vriend dreigde in de gevangenis te belanden. Er ontstond druk op Carol om zijn bekentenis te herroepen – wat hij ook deed én volhield tegenover een ongelovige officier van justitie („Hij heeft me urenlang doorgezaagd, het was afschuwelijk”) en later tegenover de rechter.

„Ik heb in mijn jeugd een constant gevoel van onveiligheid en onzekerheid gehad”, stelde hij vast. Het werd er niet veel beter op toen hij eenmaal acteur was. Hij vertelde mij tot mijn verbazing dat hij zijn homoseksualiteit ook in de toneelwereld vaak als een grote belemmering had ervaren.

Hij voelde zich op de toneelschool en later bij bijvoorbeeld toneelgezelschap Baal geïsoleerd. „Het zit vaak in kleine dingen. Iedere keer opnieuw merk ik – ook onder acteurs – dat je een soort hofnar bent.” Als voorbeeld noemde hij de acteur Ton van Duinhoven, door wie hij zich in de kleedkamer vaak met zijn homoseksualiteit gepest voelde.

Daar liep het mis tussen Carol en mij. Ik schrapte de naam van Van Duinhoven uit het interview – dit onder druk van Joop van Tijn, toenmalig plaatsvervangend hoofdredacteur van Vrij Nederland. Toen Carol dat hoorde, was hij diep teleurgesteld – in mij, in Van Tijn, in heel Vrij Nederland. Waarom moest Van Duinhoven beschermd worden?

Wij hebben elkaar nooit meer gesproken. Hij had natuurlijk groot gelijk, ik heb nog lang wroeging gevoeld, misschien nog steeds wel – waarom begin ik er anders over?