En toen bleek dat de zonsverduistering helemaal geen zonsverduistering wás

Vrijdag 20 maart was een zwaarbewolkte, sombere dag. Geen zon te zien. Kort na half elf stond ik bij mijn bureau, net binnengekomen en alweer bijna op weg naar een volgende afspraak. Ik keek uit het raam. Ineens was er een kleine opening in de wolken, met in het midden de verduisterde zon. Toen ik mijn camera had gevonden was het gat alweer verschoven. Het zonnesikkeltje schemerde nog net achter de wolken. Het was een gelukkig toeval. Of de juiste nieuwsgierigheid.

Het zette mij aan het denken over de tekening van Cornelis Pronk, waarover ik vorige week schreef in deze krant. Die eclips speelde zich in 1748 een half uur later af, ’s ochtends rond elf uur, in de zomer. Dus ik pakte een kaart en ging tekenen.

Ik trok een rode lijn over mijn plek in gebouw De Bazel naar de overzijde van de straat, in de richting van de Nederlandsche Bank. En een tweede lijn, van Pronks standpunt langs de Westertoren. De lijnen stonden bijna haaks op elkaar. Een afwijking die niet verklaard kan worden door het verschil tussen onze West-Europese kloktijd en de plaatselijke zonnetijd in de 18de eeuw.

Het was duidelijk. Pronk tekende niet de verduistering van 25 juli 1748. Om elf uur ’s ochtends staat de zon nog in het zuidoosten, niet in het zuidwesten. Niet laag boven de huizen, zoals bij Pronk, maar hoog in de lucht. En het vuur op de gracht dan, de donkere schaduwen en de twinkelende sterren? Zo donker was het in 1748 helemaal niet. Daar werd destijds juist behoorlijk over gemopperd: was dat nou alles? Suf dat ik dat niet eerder zag!

Hoe zit het dan? In 1999 was een tentoonstelling in het Teylers Museum over zonsverduisteringen, en daar werd de voorstelling geduid als de verduistering van 25 juli 1748 – en zo omarmd door het Stadsarchief. Daarvóór stond het getekende bekend als een maansverduistering. Nog eerder, in de oudste beschrijving die we kennen, in de catalogus van verzamelaar Louis Splitgerber uit 1861, valt te lezen: „De steenen brug over de Keizersgracht bij de Leliegracht, ter gelegenheid eener Maan-Eclips; terwijl aan de andere zijde der brug een St. Maartens-vuurtje gestookt wordt.” Tja. Maansverduistering, maar welk jaar? Sint Maartensvuur, terwijl de bomen vol in blad staan? Wat de tekenaar er zelf van dacht weten we niet, want de tekening draagt geen opschrift.

Hoe streng mogen wij zo’n tekening ondervragen? De toeschrijving aan Cornelis Pronk (1691-1759), van wie honderden tekeningen bekend zijn, staat wel vast. Pronk staat bekend als nauwkeurig tekenaar van dorpen en steden, die zich soms enige perspectivische vrijheden permitteerde. In dit geval heeft hij ter linkerzijde vijf huizen weggelaten, zodat de grote panden links naar de dwarsgracht toegeschoven zijn: dichter naar de brug en het vuur in de verte. Pronk werkte voor opdrachtgevers en verzamelaars en was gebonden aan de beeldconventies van zijn tijd, die streefden naar een levensechte ordening van de werkelijkheid. Hij kon niet straffeloos fantaseren.

Maar wat kan ík zeggen zonder te fantaseren? Sint Maarten kende in de middeleeuwen twee feesten, op 11 november en 4 juli. Wellicht is het laatste feest in Amsterdam langer gevierd? Helaas waren er op 4 juli geen maansverduisteringen. Gaat het dan slechts om een wassende maan, niet lang na nieuwe maan? De tekening bevat daarvoor een aanwijzing: niemand kijkt naar de maan en de man op de voorgrond wijst naar het vuur. Maar zelfs de datum van 4 juli is niet zeker. De jeugd zag ook op andere dagen aanleiding voor een Sint Maartensvuurtje, zo blijkt uit een dagboektekening van Christiaan Andriessen van 25 oktober 1807.

Ik voelde me een vreemde in mijn eigen stad. De Engelse schrijver L.P. Hartley (1895-1972) zei het al: The past is a foreign country: they do things differently there.

Erik Schmitz (Stadsarchief)