Een heel gewoon en knus gezin

De Britse historica Helen Rappaport beschrijft in haar biografie van de vier dochters van de laatste tsaar vooral een sober levend, hecht gezin met privéproblemen. Die houding werd hun ondergang.

Tsaar Nikolaas II en tsarina Aleksandra met hun dochters: (v.l.n.r.) Maria, Anastasia, Olga en Tatjana Getty Images/Laski Diffusion

Als je iets uit De gezusters Romanov kunt concluderen, dan is het wel dat de laatste tsaar zijn ondergang vooral te wijten heeft aan zijn intense verlangen om een gewoon mens te zijn. Nikolaas II, die liever boer in Engeland was geweest dan keizer van Rusland, gaf de voorkeur aan een sober bestaan met zijn vrouw Aleksandra en zijn vijf kinderen in het lieflijke dorp Tsarskoje Selo boven een door intriges bepaald hofleven in het 26 kilometer verderop gelegen Sint-Petersburg. De high society nam hem die afwezigheid in de hoofdstad hoogst kwalijk: in plaats van zich van de elite af te zonderen zouden de tsaar en de tsarina het mythische middelpunt moeten zijn van de pronkfeesten en religieuze manifestaties die er vrijwel onafgebroken werden gehouden.

De Britse historica Helen Rappaport illustreert het sociale isolement van de laatste Romanovs treffend als ze beschrijft hoe de tsaar en zijn twee oudste dochters in februari 1914 voor het eerst in acht jaar op een hofbal verschijnen en zich er vreemden voelen. Nikolaas zegt tegen zijn danspartner zelfs er echt niemand te kennen.

De keizerlijke familie had nog een andere reden om zich van de roddelende high society af te zonderen: de bloederziekte van tsarevitsj Aleksej. Rappaport toont overtuigend aan dat het voor de hofadel, die zich jarenlang geërgerd had aan het feit dat Nikolaas en Aleksandra alleen maar dochters voortbrachten en geen troonopvolger, per se verborgen moest blijven dat de in 1904 geboren kroonprins misschien maar kort zou leven en te zwak zou zijn om te regeren. Want zwakte kon een Russische monarch, die door God was gezonden, zich niet veroorloven. Ook omdat de autocratie sinds de mislukte revolutie van 1905 toch al wankelde.

Toen de tsaar in 1912 een medisch bulletin over de zieke Aleksej uitvaardigde om de ernstigste geruchten te ontzenuwen, trok de internationale pers de conclusie dat Aleksej aan hemofilie leed. Rappaport citeert de Daily News: ‘zijn dood zou uiteindelijk kunnen leiden tot een opstand in Rusland, die de Romanov-dynastie van de troon zou stoten.’

Vermoord

Het familieleven van de laatste tsaar komt in De gezusters Romanov uitgebreid aan bod. Hoe kan het ook anders in een biografie van de vier jonge tsarendochters, die in 1918 samen met hun ouders en zieke broertje door de bolsjewieken werden vermoord en amper een eigen leven hebben gehad. Rappaport komt dan ook met weinig nieuwe feiten aanzetten over een geschiedenis die al door honderden historici is beschreven. Wel hanteert ze een andere invalshoek, wat een veel intiemer en gewoner beeld van de laatste Romanovs oplevert dan haar meeste voorgangers hebben geschetst. Ook beschrijft ze uitvoerig de hofintriges en krijg je een goede indruk van het dagelijkse leven in Sint-Petersburg. Het beeld van een ‘gewone’ familie wordt nog eens versterkt doordat de gebedsgenezende monnik Raspoetin, wiens magische krachten de bloedingen van Aleksej konden stoppen, op de achtergrond figureert. Hierdoor zet Rappaport de tsarina als een veel normaler mens neer dan je gewend bent van andere historici, die haar als een hysterica zagen.

Aleksandra heeft het leven van haar dochters in hoge mate bepaald. Ze gunde hun amper de vrijheid om zich als individuen te ontwikkelen. In de eerste plaats kwam dat volgens Rappaport doordat de vier meisjes – Olga, Tatjana, Maria en Anastasia – een groot deel van hun tijd kwijt waren aan de verzorging van hun chronisch zieke moeder en broer. Zoiets zou kunnen verklaren waarom ze zich nooit als hooggeborenen gedroegen en zich net zo gewoon voelden als hun vader, die ze mateloos adoreerden.

Zo was Olga tijdens de Eerste Wereldoorlog verpleegster in een ziekenhuis voor gewonde frontsoldaten en coördineerde Tatjana de hulp aan vluchtelingen. Hun gedrag viel opnieuw niet in goede aarde bij de hofadel, die vond dat een lid van de keizerlijke familie zich niet zo gewoon mocht gedragen, omdat dit afbreuk deed aan de mythe die het tsarengezin omgaf.

Gijzelaars

Behalve als gijzelaars van hun moeder en broer zijn Olga, Tatjana, Maria en Anastasia, die respectievelijk 22, 21, 19 en 17 jaar oud zouden worden, door Rappaport ook als speelse meisjes getypeerd. Vooral als ze tijdens hun zomervakanties op het keizerlijke jacht de Sjtandart langs de Finse kust varen. De jonge officieren aan boord zijn hun speelkameraden, totdat Olga, de oudste van de vier, verliefd wordt op een van hen. Een huwelijk is uitgesloten, omdat de officier van lage adel is. Uit respect nemen de officieren in het vervolg een afstandelijkere houding aan.

Verder beschrijft Rappaport dat de tsarendochters vrolijk van aard zijn en volgens sommige hovelingen niet al te verfijnde manieren hebben. Van zulke intieme details over een gezin dat in complete isolatie leeft moet haar boek het hebben. Het is bovendien voortreffelijk geschreven en leest als een roman.

Alleen tijdens de oorlogsjaren krijgen de vier grootvorstinnen meer karakter, ook omdat twee van hen dan verliefd worden op officieren die ze verplegen. Maar ze blijven verenigd. Niet voor niets presenteren ze zich collectief vaak als OTMA, naar de eerste letters van hun namen. Alsof ze de kleine gesloten groep waartoe ze behoorden eigenlijk niet wilden verlaten.